Even recapituleren. Emile Clemens, Schrijven, jazz en meer! Hij studeerde Taal- en letterkunde aan de VUB (Vrije Universiteit Brussel) en begon poëzie en proza te publiceren in magazines zoals o.a. Diepdruk, DWB, Deus ex Machina, De Brakke Hond (waar hij ooit de kortverhalenwedstrijd won), Marginales (in het Frans). Zijn werk werd in verschillende verzamelbundels opgenomen. Clemens maakte een jazzmagazine en produceerde albums voor bekende jazz muzikanten. Bezoek de website www.jazzhalo.be, daar vindt u het album ‘Water with a smile’ van de Gilbert Isbin Group waar hij de lyrics voor schreef. Verder bezoekt hij de academie voor beeldhouwen en werkt graag in hout. Daarnaast is hij ondertussen een veel gewaardeerd auteur voor Literair Tijdschrift Pardon.
Aflopende lijnen
Haar therapeut had er haar ook op gewezen, zei ze, die twee donkere lijnen die van haar mondhoeken afliepen en de glinstering die anders altijd in haar ogen aanwezig was op non-actief zetten. Ze zei dat het door de vroege herfst kwam, de winter, de lente die nat en grijs was maar ik wist beter.
Daar denk ik aan als ik naar de vrouw kijk die wacht tot het voetgangerslicht op groen springt en ze de straat kan oversteken naar de markt. Ze heeft dezelfde donkere lijnen wat de opgewektheid van de mooie zomerochtend geen kans geeft. Ook zij is een mooie vrouw en ze wil misschien meer dan wat ze heeft gekregen en denkt dat het niet meer zal komen. De drakendoder gaat het hol voorbij waarin ze zichzelf gevangen gezet heeft.
Ik zou nu de auto kunnen parkeren en haar volgen, aan dat groentekraam op de markt een gesprek aanknopen, haar helpen om die grote krop sla in haar boodschappen tas te proppen, haar uitnodigen om samen een kop koffie te drinken, haar een lift naar huis aanbieden. Iets zeggen over aflopende lijnen.
Maar ik heb geen zin om naar de markt te gaan.
De volgende tekst komt met een toelichting van de auteur: verbeeld je dat je Paul Van Ostaijen meeneemt in een kano op de Schelde en vertrekt in Sint-Amands, bij het graf van Emile Verhaeren.
Ik heb Emile Verhaeren leren kennen toen ik tien of elf jaar was en we daar met de klas van de lagere school in Rode naartoe gingen. Ik heb daar mijn eerste sigaret gerookt met mijn vrienden.
Veel later ben ik minstens 1 keer per jaar naar Sint-Amands blijven gaan. Ik heb al zijn poëzie en essays in diverse uitgaven en verwijs in mijn tekst naar zijn ‘Les villes tentaculaires’.
Van Ostaijen hebben we uitgebreid bestudeerd aan de universiteit en ik werd vooral aangetrokken door zijn grotesken.
De mensen zeg ik
Opgedragen aan Emile Verhaeren en aan Paul van Ostaijen
Het is de plek van komen en gaan. Van het water en al wat er op drijft
Aangedreven en opgedreven
Ik vertrok met een schrijver bij het graf van een dichter aan de oever van de stroom in een kano en de stroom nam ons mee en met de kano schoven wij over de lange stroom onder de maan.
Paul vraagt wie die dichter was die daar begraven ligt en ik zeg dat zijn naam Emile is, dood en levend, zeg ik en hij schreef over de stad die zijn tentakels uitstrekte over het land.
Zoals de haven, zegt Paul, van het water naar het binnenland en zo varen we met een kano naar de haven, en ik vraag Paul wat hij hoopt te vinden in die haven.
Als we aankomen gaat ik Ika Loch opzoeken, zegt Paul. Dat is er niet meer zeg ik. Dat was een andere haven. Dat begrijp ik niet, zegt hij. Je zult het zien, zeg ik.
En zo verzeilen we traag tussen de aangemeerde reuzenschepen, de metalen containers, de hijsjukken en de bovenloopkranen en Paul vraagt waar we nu zijn en ik zeg: in de haven. Welke haven? vraagt Paul en ik zeg dit is nu de haven.
Niet het geluid van het water tegen de kaaimuur, niet het schreeuwen van de meeuwen, niet het roepen van de sjouwers. Paul vraagt waar de mensen zijn. Aan het werk. Ze zijn onzichtbaar zeg ik. Jouw haven bestaat niet meer. Luister. Lieder eines fahrenden Gesellen.
Zeg ik. Wat is dat? zegt Paul. Dat is van Mahler zeg ik. Nooit van gehoord zegt Paul. Logisch zeg ik.
We zijn aangekomen en het is tijd om te vertrekken. Naar de zee zeg ik. Naar huis zegt Paul.
De mensen zeg ik.
