De redactie van Literair Tijdschrift Pardon presenteert, met trots, het onderstaande door Pieter Drift ingezonden verhaal. Pieter Drift is afgestudeerd (etsen en tekenen) aan de kunstacademie in Rotterdam en woont in Arnhem. Pieter publiceerde onder andere eerder in Hollands Maandblad, Papieren Helden, Hard//hoofd, Elders Literair, Ballustrada en De Optimist. Zijn werk is te vinden op http://pieterdrift.nl/. Sinds 2012 vormt hij een kunstenaarsduo met Willem Jakobs. Hun werk is te vinden op http://www.jakobsdrift.nl.
Vlak voor het slapengaan schiet mijn hele lijf in een hogere versnelling. Van binnen gaat de föhn aan. Vroeger gebeurde dit alleen als ik over de eeuwigheid nadacht. Paniek kwam bij het opgeroepen van het eindeloze van de hemel waarin ik me voor altijd zou moeten begeven. Gisteren had Margot gevraagd of ik zin had om mee te helpen bij het buurtfeest. Bij iedereen zou ik geweigerd hebben maar bij Margot lukt me dat niet.
‘Morgenavond hebben we afgesproken bij Jens,’ zei ze terwijl ze even mijn schouder aanraakte. ‘Kom je ook?’
Misschien is het de combinatie Margot en Jens die me onrustig maakt. Ik begrijp niet waarom iedereen zo dol is op hem, ook Diede vond hem geweldig. Zij vond dat ik wel wat meer van Jens kon gebruiken. Woest trek ik aan het dekbed en ga op mijn zij liggen. Ontspan, denk ik. Ontspan alles. Ik spreid mijn vingers zodat ze geen vuisten meer kunnen vormen maar, even later bal ik mijn handen weer tot knuisten. Na anderhalf uur val ik in slaap.
De wekker staat op 6:27. Nog drie minuten. Ik sluit mijn ogen opnieuw, maar een paar seconden later gaat mijn hand toch naar de knopjes en zet ik de wekker helemaal uit. Geen snooze. Toen Diede hier nog was, ging zij over de wekker. Zelden liet ze hem afgaan. Zachtjes schudde ze me wakker en zei ze dat ik uit bed moest gaan.
Ik sta op en loop naar de badkamer. Eerst zet ik de douche aan, trek daarna pas mijn onderbroek uit en wacht tot het water warm is. Altijd dezelfde handelingen. Vanavond naar Jens. Graag wil ik Margot zien maar niet in aanwezigheid van de anderen en zeker niet bij Jens. Ruw boen ik mijn lichaam met een washand. Als ik daar straks ben, zal het me opnieuw niet lukken om de juiste vorm te vinden. Anderen zie ik zo makkelijk bewegen in gezelschap. Hoe doen ze dat? Als zij zwijgen, voelt dat betekenisvol. Als ik zwijg, ben ik saai. ‘Hé Jens, lekker geneukt vannacht?’ zeg ik tegen mezelf in de spiegel.
Het zijn woorden die ik nooit zal uitspreken, zelfs niet als grap.
Na het werk stap ik opnieuw onder de douche. Ik poets mijn tanden twee keer en gorgel een halve minuut met mondwater extra strong. Vroeger bedacht ik openingszinnen maar nooit gebruikte ik ze op het moment dat ze nodig waren. Ik vond ze op het moment suprême belachelijk. Andere mannen zeggen maar wat en lijken altijd succes te hebben. Jens is zo’n type. Hij maakt altijd grappen ten koste van anderen. Waarschijnlijk regelt hij het bier en de barbecue.
Ik loop naar het huis van Jens. In de tuin zie ik een viertal fietsen staan.
Vlak voordat ik op de bel wil drukken, gaat de deur open.
‘Ik zag je door het raam de tuin inlopen,’ zegt Margot. ‘Fijn dat je gekomen bent. We zitten in de woonkamer.’
Met mijn jas nog aan volg ik Margot. Jens staat direct op en geeft me een klap op de schouder.
‘Twee mannen en vier vrouwen. We zijn compleet. Zullen we naar de kroeg gaan?’
‘Naar de kroeg?’ vraag ik.
‘Ik hoor een echo!’ roept Jens. Iedereen begint te lachen.
Jens jast de vergadering erdoor. Binnen een half uur is alles afgesproken. Ik was totaal onnodig.
‘Zo, nu dat geregeld is, kunnen we gaan drinken.’
Ingrid en Karen zeggen alle twee dat ze naar huis moeten. Jens kijkt eerst verongelijkt, maar omhelst ze daarna en bij Ingrid legt hij even zijn hand op haar billen. Ze reageert niet.
‘Mag ik jou wat vragen?’ vraagt Jens als ze weg zijn. Hij kijkt me veelbetekenend aan. Ik knik terwijl ik de eerste slok van mijn bier neem. Ik voel iets aan mijn lippen.
‘Waarom is Diede weg?’
‘Dat kun je toch niet vragen?’ zegt Margot.
‘Waarom niet?’ Jens gaat iets onderuit zitten. ‘Iedereen wil het weten, maar niemand vraagt het.’
Met mijn vinger ga ik langs de rand van mijn glas. Bij mijn eerste slok dacht ik te voelen dat er een stukje uit was. Langzaam ga ik mijn vinger tweemaal over het glas. Niets. Bij de volgende slok voel ik het opnieuw. Ik veeg met mijn hand langs mijn lippen. Iets poets ik eraf. Geen idee wat. Bij de volgende slok is het verdwenen. Toch blijf de oneffenheid in mijn hoofd zeuren.
In een keer drink ik mijn glas leeg. Jens en Margot blijven naar me kijken. Ze verwachten een antwoord.
‘Ze vertrouwde me niet meer.’
De blik in hun ogen verandert niet. Het is alsof ik nog niets gezegd heb.
‘Ik vertrouw mezelf ook niet meer.’
Dan begint Jens te lachen. ‘Je bent vreemdgegaan!’
Ik schud mijn hoofd. ‘Nee, zo simpel is het niet.’
‘Sjezus, zelfs dat niet.’
Jens pakt zijn glas, zet hem aan zijn lippen en drinkt hem leeg.
‘Wil iemand nog wat drinken?’ zegt hij terwijl hij onze glazen al pakt.
‘Nee, ik ga naar huis,’ zeg ik. Het noemen van Diede heeft me doodmoe gemaakt.
‘Ik ook,’ zegt Margot. ‘Morgen weer vroeg dag.’
Ze staat op, trekt haar jas aan en wacht tot ik ook opsta. Jens volgt onze bewegingen. ‘Ik neem er in ieder geval nog eentje en declareer hem bij het buurtfeest.’
‘Sneu sneu,’ zeg ik. Ik kan het niet laten. ‘Ik dacht dat jij een succesvol zakenman was?’
Jens kijkt me aan. ‘Het was een grapje hoor.’
Samen lopen we naar onze fietsen. Margot legt haar hand op mijn onderarm. ‘Het was niet netjes van Jens om te vragen wat er gebeurd was.’
‘Iedereen wil het weten,’ zeg ik. ‘Ik eigenlijk ook.’
Als we onze fietsen van het slot halen, botsen we met onze koppen tegen elkaar aan. ‘Auw,’ roept Margot maar kijkt me met een glimlach aan. Alle twee wrijven we over ons hoofd. ‘Waarschijnlijk ligt mijn zwakte in fysiek contact,’ zeg ik.
‘Daar geloof ik niets van.’
‘Nou, mijn kop kwam volgens mij best hard aan.’
Margot begint te lachen.
‘Waarom vind iedereen Jens zo’n toffe peer?’
‘Weinig mensen vinden Jens een toffe peer, zoals jij dat noemt. Hij vindt zichzelf een alfamannetje en iedereen laat hem in die waan.’
‘Diede vond dat ik af en toe wat meer Jens in me moest hebben.’
‘Dat meen je niet,’ zegt Margot verbaasd. ‘Wat heeft hij wat jij niet hebt?’
‘Volgens mij alles.’
Margot schiet in de lach. ‘Grapjas.’ Ze gaat op haar fiets zitten en wacht tot ik mijn hangslot om het zadel heb gebonden. Met de fiets aan de hand lopen we richting haar huis.
‘Wat zou jij van Jens willen hebben?’ vraagt Margot.
‘Zijn bravoure.’
‘Bravoure is een masker,’ zegt ze.
‘Ik zet mezelf heel snel uit. Als mijn wekker een keer afgaat dan druk ik onmiddellijk op snooze, maar meestal stap ik op voordat ik geluid heb gemaakt. Diede kon daar niet meer tegen. Ze vond me onzichtbaar. Ooit zei ze: Een ieder mag zijn geheimen hebben maar wel op basis van vertrouwen.
‘Wat bedoelde ze daarmee?’
‘Ik denk dat ze me probeerde voor te bereiden op haar volgende stap. Ze was verliefd geworden op iemand anders. Het kon niet anders. Ze vond me te voorspelbaar geworden.’
‘Laat het los,’ zegt Margot. Ze gaat voor me staan en pakt mijn gezicht. ‘Initiatief nemen kan ook bestaan uit gaten in je verdediging laten vallen. Voor mij hoef je niet op snooze te drukken hoor. Laat het maar gebeuren.’
