Een tekst die om aandachtig lezen vraagt. Een grote tekst die het woord lamenteren eer aandoet. Een man overdenkt, klaagt aan, is misschien radeloos. Wat zien wij als wij naar hem kijken? Wat maken wij uit zijn woorden op? Is hij machteloos of superieur? Slachtoffer of ondoordacht? Complex. Dat denken wij. En waar staat de redactie? Wij plaatsen de tekst dus hoe zien wij het? Hetzelfde als hoe we andere geplaatste teksten zien. Het zijn de overwegingen van een man die daar zijn redenen voor heeft. Het is een personificatie. Wij vinden de tekst mooi omdat zoals wij het zien de tekst vooral over de man gaat en die man mag er zijn.
De schrijver van de tekst is Mario Withoud (Amsterdam, 1965). Oud stadsdichter van Almere. Hij studeerde Nederlands, werd tot zijn eigen genoegen afgekeurd voor het leger en tot op heden is hij niet achter vijandelijke linie gedropt om daar verwarring te zaaien. Van hem verschenen, Van water tot Flevoland (uitgave Provincie Flevoland), Echt niet echt (Uitgeverij Keytree) en de romans Van Schokland gekomen (Uitgeverij De Twaalfde Provincie) en Dode dichters dichten niet (Uitgeverij Keytree). Gedichten die hij als Stadsdichter van Almere schreef zijn in verschillende verzamelbundels opgenomen. Hij publiceert als journalist en columnist in kranten, week- en maandbladen plus op websites. Vandaag schrijft hij voor Literair Tijdschrift Pardon. Maro Withoud.
Urbi et orbi
Met het oog op wat ik nu schrijf aan Urbi et Orbi, de stad en aan de wereld, heb ik besloten voor me te zien tot wie ik me richt. Te personifiëren waar de stad en de wereld volgens mij mee bezig zijn.
Het is makkelijk om cijfers te geven over hoeveel plastic er in het milieu belandt. Hoeveel schade de mensheid de aarde toebrengt. Over hoeveel mensen niet doen wat ze willen zonder zich daar bewust van te zijn of willen worden. Over hoeveel arme en eenzame mensen er op de wereld zijn. Maar dat is allemaal niet aansprekend genoeg. Het werkt beter als ik het symboliseer, het personifieer.
Ik zie jou, stad en wereld, als een beschaafd, intelligent en cultureel onderlegd wezen. Niet omdat je dat per se bent, maar daar leg ik nu eenmaal het makkelijkst contact mee. Volgens mij ben je tussen de dertig en veertig jaar oud. En je bent een vrouw, want daar heb ik, niet altijd, wel vaker, meer geduld mee dan met mannen. En geduld heb ik nodig, al is dat haast op. Je denkt, hoewel je een jonge vrouw bent, dat je flink wat make up nodig hebt, terwijl je in mijn ogen mooier bent met weinig of geen make up. En toch zit er minder verf op mijn voordeur dan op jouw gezicht. Die laag make up vind ik een kwestie van oppervlakkige en onnodige opsmuk, hoewel ik een band met je heb omdat je van diepgang houdt. Net als ik.
Althans dat heb ik lang gedacht.
Je wil niet lezen wat ik hier schrijf en ik heb geen idee waar ik moet beginnen, mede omdat ik besef dat dit het definitieve einde is.
Een van de eerste keren dat we elkaar ontmoetten, vroeg ik jou heel openhartig of er iets met je was. Iets op het mentale vlak. Je zei nee.
Op dat moment had je nog geen diagnose gekregen, dus je loog niet heel erg, maar je wist verdomd goed dat er wel degelijk iets met je was.
Ik schrijf wat ik ga schrijven om aan te geven wat er aan de hand is. Inzichtelijk te maken waar ik sta en waarom dat is.
Omdat ik erg kan twijfelen, en kritisch ben, ook op mezelf, is het voor mij lang onzeker geweest wat de situatie is. Mede omdat het in mijn aard zit met verschillende mogelijkheden rekening te houden en bij voorkeur positief en hoopvol te denken.
Een mogelijkheid die ik serieus neem, is dat jij veel aan mij had toen ik nog in je leven was. Jij in mij een begripvol, luisterend oor vond van iemand die het juiste voor je wilde. Iemand die jou niet veroordeelde en constructief dacht.
Andersom was dat minder, weet ik inmiddels. Jij verloor vaak jouw geduld met mij waar ik dat met jou zelden verloor. Jij veroordeelde mij ook ronduit. Gaf mij een slecht gevoel over mezelf.
Kijk, ik liet het jou merken wanneer ik kwaad op bepaalde mensen was of boos vanwege bepaalde gebeurtenissen. Maar dat richtte ik nooit op jou persoonlijk. Ik nam jou niet persoonlijk dingen kwalijk.
Andersom was dat aanzienlijk minder.
Om iemand niet te kwetsen, onnodig moeilijk te doen of uit angst afgewezen te worden, kan ik al de neiging hebben om op mijn tenen te lopen, maar bij jou liep ik voortdurend door een mijnenveld.
Natuurlijk werd ik daar zenuwachtig van.
Wat mij daar bovenop onrustig maakte, was dat je verwachtte dat ik snel zou reageren en ook nog op de juiste manier. De ene keer was de juiste manier met een grapje, de andere keer juist absoluut niet.
Ik zou dit liever allemaal niet schrijven. En jij wil dit dus vast niet lezen. Als je daar al aan begint, zul je wellicht snel stoppen omdat je kwaad wordt en die kwaadheid zal groeien.
Ik ben ook kwaad, maar meer nog teleurgesteld. Ook in mezelf. Er is een gevoel van in de steek gelaten zijn. Door jou, maar ook door mezelf. Ik verwijt mezelf dat ik alles te laat door had. Niet voor het eerst.
Jij maakte mij vaak verwijten. Dat was onterecht al deed ik mijn best je dat niet kwalijk te nemen. Vaker dan mij lief was, richtte jij je pijlen op mij persoonlijk, wierp je mij iets voor de voeten wat anderen, mannen, gedaan hadden of nog altijd deden. Nooit projecteerde ik mijn nare ervaringen met mensen, vrouwen, op jou. Nee, jij was altijd de uitzondering. Jij bent niet zo. Dacht ik.
Nog altijd wil ik zo denken over jou alleen wordt dat alsmaar moeilijker door mijn toenemend besef dat de realiteit anders heeft bewezen. Lang heb ik geprobeerd om jou te beschouwen als uniek individu, alleen pleit dat je niet vrij van bepaald door jou getoond gedrag.
En helaas is er naast teleurstelling ook erg het idee dat het niet anders kan dan dat jij je bewust bent geweest van wat je deed. Dat moet wel want je bent een intelligente vrouw.
Jij en ik hadden diep en veel contact. En de momenten dat ik me tegenwoordig afvraag of ik het contact, jou dus, mis, besef ik dat ik het wel prettig vind zo. Of prettig… Het geeft me de broodnodige rust. Ik heb nu een hoop minder aan mijn hoofd. Er was namelijk altijd wel wat met je. Meestal iets waar je mee zat. Waar je zelfs over aan het klagen was, vaak over zeurde. Regelmatig waren het dingen die je zelf opgezocht had of veroorzaakt had. Door mij aangedragen oplossingen wees je af om onnozele en oppervlakkige redenen. (De ramen lieten te veel tocht en kou door, maar dikke gordijnen wilde je niet, want dat stond niet mooi. Of je kocht een woning waar je achteraf gezien te weinig over nagedacht en nagevraagd had, waardoor allerlei gebreken en nadelen pas toen je er woonde naar voren kwamen.)
En maar uitstralen dat je zo’n pechvogel was!
Natuurlijk heb ik ook positieve ervaringen met je. Van onze gesprekken leerde ik regelmatig iets over mezelf, iets over vrouwen, iets over de maatschappij, iets over hoe mensen denken.
En het voelde fijn dat ik jou dingen over mezelf kon, wilde en durfde te vertellen. Hoe jij daar mee om ging, hoe je daar naar luisterde en op reageerde. Allemaal iets waar ik iets aan kon hebben.
Alleen was er te weinig evenwicht. Te vaak bepaalde jij het onderwerp en de insteek van de gesprekken. Net als de gradatie er van. Hoog als jij dat wilde, infrequent als jij dat wilde.
Uiteindelijk deed dat afbreuk aan wat wij hadden.
Ik heb je herhaaldelijk gezegd dat je mij kon vertellen over je verdriet, je frustratie en je boosheid. Maar het was nooit de bedoeling dat je die boosheid op mij af zou reageren. Ik het mikpunt van je boosheid en je agressie zou worden. En dat is wel gebeurd. Te veel keren. Soms bood je daarvoor je excuses aan. Om het dan binnen de kortste keren weer te doen.
Je verweet mij bijvoorbeeld wat andere mannen deden. Ik zei dan dat ik die andere mannen niet was. En toch gebeurde dat te vaak. Ook daar kan ik niet meer tegen.
Ik wil er niet meer tegen kunnen. Je bent te vaak te ver over mijn grenzen gegaan.
Misschien ben ik te lang voorzichtig geweest. Heb ik te lang opgepast met wat ik zei en hoe ik dat formuleerde. Te lang op mijn tenen gelopen en eventuele verbazing of ergernis voor me gehouden, die ingeslikt. Iets wat ik wel vaker doe om drie redenen: ik wil niet kwetsen, wil niet moeilijk doen en wil iemand als jij niet kwijtraken.
Jij en ik hebben echt heel goede gesprekken gehad. Dat mis ik af en toe. Wat ik niet mis, is de stress die de hoeveelheid en de inhoud van je berichten kon opleveren. En je verwachtte daarbij dat ik er snel op reageerde. En dan ook nog op een manier die jou beviel. Soms kon een grapje of cartoon werken. Een andere keer werd je daar woedend om, klaagde je dat mijn reactie slechts een stomme cartoon was.
Het leverde mij dus veel onrust op. Dat hing samen met de kwantiteit en de intensiteit en de ernst van je berichten. Je schreef bijvoorbeeld dat je op de snelweg zat en jezelf dood wilde rijden. Daar moest ik dan, ook van mezelf, direct op reageren. Niet alleen omdat ik zo’n bericht serieus nam en zorgwekkend vond, maar ook omdat ik met je meeleefde en je zeer belangrijk voor me was.
En ik ben attenter en zorgzamer dan de meeste mensen, dus het ligt ook aan mij. Ik moet jou en anderen niet verwijten dat het andersom niet zo is. Niet denken dat er weinig aandacht is voor wat mij bezig houdt, maar mezelf in de ogen kijken omdat ik meer van de ander verwacht… Het is niet dat ik iets doe omdat ik dan van de ander aandacht, dankbaarheid of blijheid verwacht.
Het is niet dat ik ze nodig heb, die hoge verwachtingen, omdat ik anders niks verwacht en dan niks zou doen, want ik doe evengoed wat omdat ik aardig en zorgzaam ben. Ik wil de ander niet verplichten om hetzelfde te doen. Wel valt het me tegen hoe onattent de ander is…
De laatste jaren is dat besef indringender geworden.
Besef dan ook, stad en wereld, dat wat ik hier schrijf, niet zozeer door mij bedacht is, maar wel dat ik er veel over nagedacht heb. Dat ik die personifiëring, een relatieve jonge vrouw, niet zomaar gekozen heb.
Ik had namelijk ook kunnen kiezen voor dat voortdurend chagrijnige meisje van de lagere school. Ze was de lelijkste van de klas en omdat ik andere meisjes niet aan durfde te spreken, had ik haar gevraagd met mij naar de film te gaan. Verontwaardigd reageerde ze dat ik dan wel eerst vijf kilo af moest vallen.
Of die vrouw met wie ik samen zou gaan wonen, terwijl ik al eerder door had gehad dat een relatie met haar een foute zet was. Ze was grappig en een harde werker met een grootstedelijke achtergrond en ik dacht dat ze intelligent was maar de eerste keer dat we stoned werden, zag ik haar voor me als een platvloerse huisvrouw uit Purmerend…
Ondanks de weerzin die ik voelde, liet ik haar bij mij intrekken.
De enige reden die ik achteraf kan bedenken is dat ik wist dat ik van nabij in de gaten gehouden moest worden. Ik onbewust iemand in huis nodig had om te zorgen dat ik niet ’s ochtends al aan de drank en “extra grote shaggies” ging.
Schaam ik me daarvoor? Vind ik dat zwak? Soms, maar het is wel mijn zelfbehoud geweest.
Dat laatste is vreemd eigenlijk. Want hoewel ik, bij tijd en wijlen ook door mezelf, gezien wordt als onverantwoordelijk, dromerig, roekeloos en onaangepast, was ik dus wel verstandig genoeg om voor mezelf vangrails in te bouwen.
En dan jij weer, stad en wereld in de personifiëring van een vrouw van tussen de dertig en veertig, waarvan ik lang dacht dat je diepgang, principes en beschaving had. Ik vrees dat je meer aan oppervlakkigheid hangt dan je denkt. Neem de geënsceneerde foto’s van jezelf in allerlei poses, vol make up, vaak in erotische kleding. En dan verbaasd of verbitterd reageren als je die foto’s op social media zet en daarop bepaalde reacties krijgt van mannen. En maar niet willen snappen dat jij een bepaalde indruk kunt maken bij bepaalde mannen.
Net als ik zoek jij diepgang en wil je geen oppervlakkigheid. Dat zeg je tenminste. Heel lang dacht ik dat het echt waar was en meende ik veel in je te herkennen. Maar je doet dus aan, zoals jij het noemt, fotoshoots en daar verschijn je dan zwaar opgemaakt in allerhande opgedirkte outfits, regelmatig erotische. Lingerie en zo. Ik vraag me af wat je daar mee denkt te bereiken. Of je beseft wat je daarmee uitstraalt. Snap je dat je dan mannen aantrekt die op zoek zijn naar eenmalige wilde seks? Waarmee ik niet wil zeggen dat ik die mannen gelijk geef…
Mij valt het vies tegen dat jij beweert dat je, net als ik, seks en liefde geen consumptiemiddelen vindt en ondertussen het tegendeel bewijst, afgaand op de onafgebroken serie schijnbare verliefdheden en lustgevoelens die je hebt.
Ik heb daar uiteraard niks van te vinden. Dat is jouw zaak. Het is echter wel mijn zaak of ik met zo iemand om wil gaan.
Wat ik werkelijk verschrikkelijk vind, is dat je daarnaast puur voor de ervaring naar bed bent gegaan met die ranzige oplichter Y. En toen je hoorde dat ik hem kende en hem haatte, was dat voor jou geen reden om het niet nogmaals te doen. Om er vervolgens tegenover mij luchtig over te doen, iets wat volkomen in strijd is met je zogenaamde zoektocht naar diepgang en je aversie tegen oppervlakkigheid.
En er was die, volgens jou geslaagde, zakenman, waar je tijden achteraan liep. Zijn bedrijf verkocht te weinig, maar omdat hij steeds nieuwe investeerders binnen haalde, streek hij een erg dik salaris op.
Zelfs nadat je ontdekte dat hij getrouwd was, bleef je verliefd en ging je met hem naar bed. Mij meldde je daarna verdrietig dat je niet zichtbaar kon genieten. Volgens mij is dat ook waarom het met hem na een keer vrijen gestrand is. Afgaand op je outfits verwachtte hij wilde sekspartijen. Terwijl jij het moeilijk vindt om jezelf te geven, te ontspannen en het wellicht daarom dus voor hem tegengevallen is en hij snel daarna afstand van je nam.
(Zou ik je die verklaring van mij vertellen, zou je woedend worden. Maar wat moet ik anders?) (Dat ik dat verzwijg, kost mij moeite en mijn eigenwaarde.)
We konden het goed vinden. Over alles praten. We begrepen elkaar of probeerden dat minimaal.
Nu ik dit opschrijf, vraag ik me af of dat helemaal klopt. Was het niet grotendeels te danken aan mijn geduld met jou en dat ik mijn best deed om je te begrijpen? En enorm voorzichtig was met wat ik zei en deed? Op mijn tenen liep om niet het verkeerde te zeggen of doen? En tegelijk vreesde dat je elk moment venijnig tegen me zou doen? In woede uit zou barsten en die op mij zou richten?
Was het niet zoals veel te vaak bij mij? Een ongelukkige en ontevreden vrouw (of man) die ik tevreden en gelukkig wil maken?
Ik heb van onze gesprekken geleerd hoor. Op verschillende gebieden. Ook over mezelf.
Daar ben ik dankbaar voor.
Maar ook dankbaarheid is eindig. Houdt op als er te veel negatieve kanten zijn.
Mijn hele leven heb ik moeten vechten. De ene keer tegen iets, een andere keer voor iets. Soms tegen iemand, soms voor iemand. Ik ben het vechten moe. Zeker als het gevechten zijn die ik onnodig vind of mij verdrietig maken.
Ik heb gevochten voor jou. En voor jou en mij.
Ik besef toenemend dat het vechten voor jou en mij gedeeltelijk met jou was. En dat wil ik niet meer. Het kost me veel geduld en energie, maar wat het opbrengt is dat allemaal niet waard.
Plus dat het mij zo verdrietig maakt dat het mijn levensvreugde aantast. Jij, en alles wat met je samenhangt, brengt teveel onrust en ongeluk. Mede omdat je veel en vaak om aandacht vraagt en die meteen wil.
Ik zou willen dat het niet zo hoefde te zijn, maar er is teveel aan jou dat ik niet meer aan kan.
Dat komt mede door mijn gevoeligheid en de neiging om alles en iedereen, dus ook jou, te willen redden.
En wellicht vat ik dingen te serieus op. Loop ik teveel op mijn tenen omdat ik het zo graag allemaal goed wil doen.
Het goed doen, is moeilijk bij iemand als jij, die zo vaak depressief en chagrijnig is en zich snel te kort gedaan voelt.
Ik wil weten waar ik aan toe ben. Ook bij jou. Maar jij weet niet wat je wil en als je hebt wat je wil, is het weer niet goed, ben je al gauw weer ontevreden.
Het lijkt er ook op alsof je over bepaalde zaken niet goed nadenkt of daar ongericht over nadenkt. Je ook jezelf voor de gek houdt.
En hoe jij, zogenaamd puur, alsmaar je richt op geld, mensen die dat hebben en de manieren waarop je het zelf kunt krijgen. Je wilt inhoud hebben, maar bent bezig met uiterlijke schijn en richt je op spiegeltjes en kraaltjes.
Je hebt twee universitaire studies gedaan, bent daarna bij een grote bank gaan werken en daarbinnen opgeklommen. Je baalt van je werk en dat je op de afdeling Effecten en Beleggingen voornamelijk bezig bent met geld te verdienen voor mensen die al genoeg hebben.
Een andere baan zoeken, wil je niet omdat je nergens zo goed betaald wordt, mede dankzij allerlei bonussen. Een lager inkomen kan je niet hebben, zeg je, want je zit met hoge vaste lasten. Dus pas jij je aan.
In plaats van dat jij je eigenzinnigheid koestert, wil je eigenlijk net als de rest zijn, ondertussen doend alsof je het verafschuwt. Je zegt dat je graag alleen bent, maar zit voortdurend op social media en spreekt regelmatig af met oppervlakkige inhoudslozen.
En al die mannen – want het zijn er best veel – waar je verliefd op was. Stuk voor stuk, de hele serie, onbetrouwbare types die tegen je liegen of minimaal iets voor je verzwijgen. Dat ze een relatie hebben of zelfs getrouwd zijn.
Dat je dat en andere problemen niet op wil lossen, is iets wat te veel mensen doen. Dat moeten ze, dus ook jij, zelf weten, maar ik kan daar niet tegen. Het tast mijn vertrouwen in en een band met dergelijke mensen aan. Meestal valt het bij mij zo slecht dat ik die mensen uit mijn leven ban.
Een band die jij en ik leken te hebben was dat we alleen met iemand naar bed willen als er sprake is van liefde.
Ook dat was iets wat niet waar bleek te zijn. Je ging dus onder meer naar bed met een van de grootste oplichters die ik ken; niet uit liefde maar puur om seks, wat ik afschuwelijk vind.
Vergeven kan ik dat moeilijk. Of vergeven… Je was en bent mij niets verplicht natuurlijk. Maar het viel me zo van je tegen! Toen je me dat vertelde kreeg ik het idee dat je totaal geen rekening hield met mijn gevoelens. Ik walgde van de situatie. Ik walgde van jou.
Op dat moment is er iets kapot gegaan in mij.
Ik vond je niet alleen walgelijk, maar ook dom, onnadenkend, onbetrouwbaar en leugenachtig. En niet voor het eerst bedacht ik dat het leek alsof jij het ongeluk en de ellende moedwillig opzocht.
Ik heb geprobeerd het vol te houden met je. Ondanks alles wat je deed.
Ondanks dat je bijvoorbeeld zeurde over je oude huis, je de indruk wekte dat daar een oorzaak van je onvermogen lag. Toen je een nieuw huis kocht, vond je al gauw nieuwe zaken om over te klagen. En wat ik ook aandroeg, nooit was dat een oplossing, protesteerde je.
Ik kan echt niet meer tegen alles wat gebeurd is. Je doet alsof je iets van je leven wil maken en tegelijk koers je telkens af op iets waardoor je ontevreden wordt.
Het zit in mijn aard, zei ik eigenlijk al, maar je gaf mij te vaak het gevoel dat ik het verkeerd deed.
En mensen geven me al zo vaak het gevoel dat ik het verkeerd doe.
Je bestaat, stad en wereld, uit groepen, verbanden, organisaties en systemen. Daar moet ik me aan aanpassen, hoor ik regelmatig. Dat kan en doe ik. Ik houd rekening met de wensen van anderen en de moraal in een groep of organisatie. Mijn aard is vriendelijk, positief en constructief. Me diplomatiek en tactisch gedragen kan ik ook. Een ruziezoeker of spelbreker ben ik niet.
Tot er een moment komt waarop ik me afvraag wat iets of iemand eigenlijk wil bereiken en of dat werkelijk bereikt wordt met de stappen die gezet worden, de onderwerpen die besproken worden en de oplossingen die daar uit komen. Ik niet anders meer kan dan aan mezelf toegeven dat het allemaal doelloos is. Niet gaat over wat er werkelijk speelt, kwesties en problemen onbesproken blijven. En als ze wel op tafel komen, de oplossingen geen werkelijke oplossingen zijn.
Daarmee bedoel ik niet dat ik tegen compromissen ben, want soms ligt het juiste of de waarheid halverwege. Als er maar een goed besluit genomen wordt!
Vrijwel altijd gaat het uiteindelijk hetzelfde. Het is een vergaderkamer of soort ruimte zoals die waarin ik al zo vaak heb gezeten. Een vergadertafel of cafétafeltje waaraan ik al zo vaak ben aangeschoven. Ik heb het gevoel zoals ik dat al zo vaak heb gehad. Het gevoel dat iedereen om de tafel naar mij kijkt. De een met een boze blik, de ander teleurgesteld, weer een ander alsof hij liever had dat ik er niet was. Ik overweeg wat ik kan en wil zeggen. Of ik dat ook daadwerkelijk ga zeggen. Zal ik zeggen dat ik weet waarom ze zwijgen? Dat ik vind dat ze hun verantwoordelijkheid moeten nemen? Dat het slap en laf is dat ze dat niet doen?
Dan komt het punt dat ik niet langer mijn mond wil houden en benoem wat er aan de hand is. Wellicht doordat ik zo lang diplomatiek en vriendelijk ben gebleven, is mijn tong dan scherper dan nodig. Dat is onhandig, niet goed, dat weet ik, maar nog langer zwijgen vind ik ronduit fout. Als niemand ongehoorzaam is, blijft alles het zelfde. Ook als dat slecht is.
En ik weet dat ik niet de enige ben die ziet dat het fout zit. Ik ben namelijk nieuwsgierig en sociaal vaardig, dus bespreek ik bepaalde kwesties ook in individuele gesprekken. Vraag ik waarom ze niet publiekelijk hun mond open doen. Achter de schermen, onder vier ogen, blijkt dan dat ze niks zeggen uit eigenbelang. Ze bang zijn dat hun baan of de inhoud en status daarvan op het spel staat. Of, net zo erg, ze totaal niet door hebben dat we op een heilloze weg zitten. Middelmatigheid en angst roepen niet op jezelf en jouw belang te ontstijgen.
In het verleden begon ik dan te twijfelen aan mezelf, want had ik mezelf niet onmogelijk gemaakt? Inmiddels aanvaard ik dat de ander, de stad, de wereld, de groep, de organisatie zich juist onmogelijk had gemaakt voor mij. Je bent niet verplicht te aanvaarden wat anderen zeggen. Maar je hebt wel de plicht daarvan iets te zeggen als het niet klopt.
Niet iets zeggen van een slap besluit, is net zo slap als het besluit zelf.
Ik wil en kan niet horen bij iets dat samenhangt van nutteloze en gemakzuchtige schijnoplossingen. Draait om oppervlakkigheid. Ik leef, woon en werk er te midden van. Maar kan dat niet langer. De tegenwoordige moraal en het hedendaagse handelen, ik ben er niet meer tegenop gewassen. Dat alles gericht is op gemakzuchtige snelle bevrediging.
Die houding werpt me op mezelf terug en ja, dat kan eenzaam zijn. Maar nog altijd minder eenzaam dan te midden van mensen bij wie ik niet wil horen, niet wil zijn.
Want waarom zou je eigenlijk ergens willen blijven of bij willen horen als je vindt dat het daar krom is? Het onoprecht is? Als je genoeg hebt geprobeerd om op een vriendelijke en diplomatieke manier iets te veranderen, wat heb je er dan nog te zoeken? Ze je aanstaren alsof je niet goed bij je hoofd bent als je iets aankaart of wil veranderen? En nooit, nooit, nooit denk ik dan gelijk dat ik wel goed bij mijn hoofd ben. Altijd voelt het alsof ik iets verkeerd doe. Telkens bedenk ik pas veel later dat het onzin is. Besef ik dat ik wel goed bij mijn hoofd ben.
Daardoor ben ik wellicht extra gevoelig bij iemand als bij jouw personificatie, een vrouw van tussen de dertig en veertig jaar oud. Bleef ik heel lang mijn best doen omdat ik jou niet wilde afwijzen zoals ik afgewezen word.
Ik voel me soms lullig, haast schuldig omdat ik je niet meer zie, we geen contact meer hebben.
Ik voel me verantwoordelijk terwijl jij net zo goed mij niet ziet, op jouw beurt geen contact met mij hebt. Jij het was die voorstelde een punt te zetten nadat ik had aangekaart dat ik bepaalde dingen die jij deed niet verdiende. Niet langer accepteerde.
Dus waarom zou ik me lullig of schuldig moeten voelen?
Want er is geen reden waarom ik nog langer je praatpaal, vangnet en boksbal zou zijn… Ik betwijfel niet dat ik je heb geholpen en nog zou kunnen helpen, maar je wil helemaal niet geholpen worden. Je wil je problemen niet oplossen. Dus waarom zou ik moeite doen?
Dat nog los van dat ik het te zwaar vind. Het mij teveel energie en rust kost om jou voortdurend te ontzien terwijl je ondertussen over mij heen walst.
Dus hebben we elkaar niet meer gesproken. Ons van elkaar afgekeerd. Toegegeven dat het niet meer is wat we er van verwachten.
’s Avonds in bed gebeurt het nog wel eens, langzaam dringt tot me door dat ik iemand opgejaagd adem hoor halen, voordat ik, na een paar minuten, besef dat ik het zelf ben en aan jou denk…
Mijn natuurlijke neiging om te denken dat ik het verkeerd heb gedaan, steekt opnieuw de kop op. Onterecht. Want hoewel ik niet alles goed heb gedaan, lag het niet aan mij.
Wie weet had je inderdaad pech dat je steeds de verkeerde tegenkwam of het verkeerde besluit nam. Maar het was jouw eigen keuze om met ze in zee te gaan of iets te beslissen, ondanks dat er alarmbellen rinkelden.
Ik was een juiste keuze, een constructieve keuze die het beste uit jou kon halen.
Ik heb al vaker gezegd dat ik dingen van je geleerd heb, dat ik door jou dingen ben gaan inzien, maar het komt er uiteindelijk op neer dat ik beter af ben zonder jou.
Dat jij slechter af bent zonder mij, kan ik niet verhelpen. Dat zie ik niet meer als mijn verantwoordelijkheid. Dat is verdrietig voor jou, stad en wereld, ook in jouw personificatie van vrouw. Maar een grote bevrijding voor mij.
