Een kleinood. Voorleesverhaal voor volwassenen. Er iets over opmerken is iets weggeven. Dat doen wij niet. Dat laten wij aan de verteller over. Jacqueline Bos (1965) is ervaringsdeskundig op het gebied van mantelzorg, ze is zorgprofessional en auteur. Ze schreef een roman, Joost – de erfenis van het zwijgen waarin zij haar ervaringen met haar vader verwerkte die oorlogsveteraan was. Thema’s in haar poëzie zijn zorg, rouw, verlies en geluk. Er is meer. Bezoek haar auteursblog na het lezen van haar verhaal.
In de achterkamer van de oude boerderij hing ze. Daar waar het licht in de late middag goud werd en de vloer zacht kraakte onder vermoeide voeten.
Een zware wandklok van donker hout, met een slinger als een metronoom van het leven. Ze hing er al zolang iemand zich kon herinneren, als de hartslag van de hoeve.
Ze was nooit bijzonder mooi geweest. Haar lak was gebarsten, het hout dof van de jaren, en het glas boven de wijzerplaat had een melkachtige waas. Als je goed keek zag je zelfs een klein barstje.
Toch hoorde ze bij het huis, zoals het houten aanrecht, de scheve balk boven de haard en de geur van mest die zich ondanks alles door de muren werkte. Niemand wist nog wie haar ooit ophing , misschien opa, misschien al diens vader. Maar de klok hing, en ze tikte.
Elke seconde, elke minuut met een vastberadenheid die geruststelde. Ze hoorde het als kinderen over de vloer gleden in sokken, als er gehuild werd in de keuken, als er gelachen werd bij de haard. Ze tikte als de boer voor het raam stond, zijn noeste handen op de vensterbank, starend naar het weer, de akker, het licht. Zijn gezicht net als zij, getekend door het leven. Beiden droegen de sporen van de tijd.
De klok loog nooit. Ze had geen haast, maar wachtte op niemand. Op het hele uur sloeg ze ,helder en jong, ongeacht de jaren. En de ogen van de boer lichtten op, zijn koffiekop dampend in zijn hand. Zolang ze sloeg, was er leven in huis.
Ze was zijn vriendin gedurende eenzame avonden, en zijn vijand als de oogst naar binnen moest voor de hagel kwam.
Hij kon niet zonder haar, en zij niet zonder hem.
Ze had de kinderen zien opgroeien. De vrouw onrustig kijkend op de klok als de school allang al uit was en de blonde kopjes nog niet over de heuvel kwamen.
De klok bepaalde de bedtijd, daar was geen ontkomen aan.
En even onvoorbiddelijk was ze op zondagmorgen.
Nog voor de kerkklokken luiden riep ze al op tot gebed en kerkgang.
En niemand sprak haar ooit tegen.
De kinderen verlieten het erf, één voor één. Naar de stad, het drukke leven. Moeder de vrouw zorgde, kookte en veegde de krakende vloer met een al even krakende rug. En de boer wist da er andere tijden kwamen.
Op zijn akkers reden andere trekkers. Modern en snel. Hij miste het brommende geluid van zijn eigen oude beestje en dacht vaak terug aan de twee ploeg paarden van zijn vader.
De boer stond nog elke ochtend in het vroegste licht op, stak de kachel aan, dronk zijn koffie en luisterde naar het tikken.
Hij wist precies wanneer ze zou slaan, zonder te kijken. En ook al had hij nu de tijd, zij tikte het ritme van de dag voor hem.
Als zijn geheugen hem soms liet zitten, wist zij nog wanneer het middag was.
Tot die ochtend.
Het was januari. De ruiten bevroren, het erf was stil. In de achterkamer stond de koffie warm op tafel. De vrouw riep nog maar eens, zijn naam echode door de oude hoeve.
Ze rilde en luisterde en schrok.
Ze draaide zich langzaam om, maar wist al wat ze zou zien.
De slinger hing stil. De wijzers bevroren op vijf over zeven. Geen klik. Geen slag.
Nogmaals trok een rilling door haar magere lijf. Ze riep nogmaals zijn naam. Zacht, aarzelend.
Het antwoord kwam niet. Nooit meer. Niet van de boer en niet van de oude klok.
De boerderij staat er nog. Verbouwd, fris en jonger. De klok hangt nog, als stil eerbetoon aan andere tijden.
En soms, diep in de nacht, als de wind over het land trekt en het hout zacht kreunt, zweert de zoon dat hij haar hoort
Eén tik. Heel zacht.
Alsof de tijd, heel even, stil terug komt.
