Vandaag een vorm die we in dit tijdschrift nog niet gezien hebben; fragmenten. Zijn het dromen, ergens in meegenomen worden, wakker worden. of de droom wegslapen? U mag het zelf uitmaken. Martijn Veltkamp is psycholoog en schrijver van 3 non-fictie boeken. Zijn laatst verschenen boek is Het raadsel van het ik: Over wat ons maakt tot wie we zijn. Momenteel werkt hij aan een boek over Johann Wolfgang von Goethe. Eigenlijk past het ons niet om leesaanwijzingen te geven, maar draag onderstaande fragmenten als het ware voor. Expressie, daar ligt naar onze mening het zwaartepunt.
Onderweg
‘Waar gaan we eigenlijk naartoe?’ Het is warm in de auto. De blazer maakt veel geluid, maar de airconditioning is blijkbaar defect. Warme lucht blaast in mijn gezicht. Hij slaat rechtsaf – het stoplicht staat op groen, een gelukje – en schakelt bij, zwijgend. Het is rustig in de stad. Het constante gezoem van de motor benadrukt de stilte. We rijden, almaar verder. ‘We zijn er,’ zegt hij, en stapt uit, terwijl hij met zijn wijsvinger zijn zonnebril nog wat beter op de brug van zijn neus plaatst. Zand. We staan midden in de woestijn. Niets dan geeloranje, zover ik zie: de vlakte waar onze auto staat, zonder enige bandensporen, de heuvels; zelfs het blauw van de lucht is aan de horizon vermengd met een geeloranje stofgloed. Als ik me omdraai hetzelfde. Ik draai me terug; hij is weg. Ik en een auto, in de leegte. Een windvlaag doet het stof hoog opwaaien. Het zand prikt in mijn ogen. Ik wrijf over mijn gezicht en voel de vele korreltjes schuren over mijn huid. Het knarst tussen mijn tanden. Ik zak met mijn voeten weg in het mulle, fijne zand. Het stof verduistert alles. Stof, niets dan stof.
Toekomst
Ik loop door het hoge en droge zomergras naar de top van de heuvel, maar eenmaal aangekomen sta ik aan de rand van een afgrond. De beginnende avond trekt van bovenaf de kleuren uit het landschap terwijl een opkomende mist van onderaf het beeld vertroebelt. Terug kan ik absoluut niet. Uitgesloten. Ik moet verder. Maar wat tref ik aan wanneer ik de kloof afdaal, als ik dat al kan? Zo goed ik kan tuur ik in de verte. Het is bijna niet te doen. Alles heeft grijstinten aangenomen en is onscherp. Ik zie weilanden, grote geïsoleerde bomen, een rivier… of zijn de bomen huizen, en is de rivier een brede straat? Er beweegt iets, maar ik zie niet wat het is. Het is schijnbaar rustig, bijna onbeweeglijk. Of is het een roofdier die geduldig zijn prooi opwacht, zoekend naar het juiste moment voor de beslissende aanval? De tijd raakt op, ik moet verder, ik kan niet langer wachten. Ik wil weten waar ik naartoe ga, waar ik aan toe ben, hoe het eruit ziet, hoe ik het aan moet pakken, maar hoe langer ik kijk, des te meer vlekken ik zie en niets dan vlekken. De mist kruipt hoger, ik zie het op me afkomen. De kloof is diep, ik moet een pad zien te vinden. Ik sta stil aan de rand van de rotsen die de diepte in leiden en zoek. Ik schuifel langs de richel in de hoop op een pad. Daar! Een trede, twee treden, naar beneden. Een pad. Zijn het treden? Of gewoon maar harde doelloze rotsen, die mijn hoofd een functie toedichtte? Misschien moet ik verder zoeken. Maar het komt al, van achteren, ik kan niet wachten, niet zoeken, de tijd is nu echt op, anders val ik sowieso, genadeloos het ravijn in.
Streven
Er was me altijd al verteld dat ik hier naartoe moest gaan. Iedereen had het erover. Daar is het goed! Wees toch verstandig, nu kan het nog, later zul je er spijt van krijgen. De mens krijgt geen spijt van wat hij deed, maar van wat hij naliet te doen. Zovelen gingen je voor, en wie is er niet beter van geworden? Laat je niet leiden door de angst voor het onbekende, leer vertrouwen.
Thuis had ik mijn uitgebreide boekencollectie, waar ik blind welk boek dan ook zonder enige twijfel uit één van de vele boekenkasten vandaan wist te halen. Ik had er mijn vaste routine, een overzichtelijk maar bij vlagen uitdagende baan, vrouw, kinderen, vrienden, noem maar op. Een heden waarin ieder deeltje tot het kleinste aan toe zijn betekenis ontleende aan een omvangrijk verleden. Waar een schilderij geen schilderij was, maar een raam naar mijn huwelijksdag. Waar een pen een succesvol afgelegd examen was, een koffiekopje een reis naar Italië.
Maar het ware leven ging langs me heen. Daar greep ik steeds maar naast. Waarom genoegen nemen met wat je hebt, als je zoveel meer kunt krijgen? Ik had al te lang gewacht. Ik moest eindelijk die comfortzone maar eens uit. Daarbuiten begint het leven pas; hoe vaak was dat me niet verteld? Al die tijd, al die mogelijkheden, en ik had er niets mee gedaan. Een onzichtbare draad trok me steeds weer terug, maar nu was dat klaar. Ik ging op weg. ‘Wat heerlijk om je te zien,’ hoorde ik ze al roepen. Ik zag ze in de verte, steeds groter wordende silhouetten. Plots klapte achter me een poort dicht. Achter me was niets meer. Zelfs geen tralies, zoals men zich bij een gevangenis wel voorstelt. Duisternis en leegte. Niemand leek zich er druk om te maken. ‘Doe alsof je thuis bent,’ hoorde ik de silhouetten me vriendelijk toeroepen.
