Wij kunnen het niet beter omschrijven dan de auteur zelf; “Ton Bil (Ermelo, 1962) woont ergens in de bergen, en die staan vaak aan de horizon van zijn verhalen. Hij verschaft zijn lezers een perspectief op leven en lijden dat bijna buiten de tijd staat. Zijn werk online als psychologisch therapeut geeft hem slechts faam in kleine kring, zoals dat hoort. Hij is echter makkelijk online te vinden met zijn ongewone, maar echte naam en ontvangt graag reacties van lezers.”
Over een ‘spontaan treffen’ in Alicante hadden tachtig mensen zeven weken lang gedebatteerd. Dat vond ik grappig genoeg om erheen te gaan.
‘Wat kost jouw drankje,’ vroeg ik aan de vrouw naast me. Ze hing vol juwelen, ik had mijn elegantste neusringetje in.
Ze zette haar glas neer, haalde een bril uit haar haren en plaatste deze voor haar ogen. Tot nu toe was er aan de tafel veel over prijzen en bedragen gesproken, maar kennelijk was dit een onbekende grootheid. Met haar wijsvinger ging ze over een dik vel papier dat op tafel lag en zei toen: ‘Zes euro’.
Het glas kon ongeveer dertig centiliter bevatten, maar toen het was gebracht, was het voor de helft gevuld. ‘Dus het is ongeveer achtentwintigduizend keer duurder dan kraanwater,’ stelde ik vast. Ze sperde haar ogen heel even open, daarna verspreidde zich een vaag lachje over haar gezicht. ‘Het is ook veel lekkerder dan kraanwater. Wil je proeven?’
Uiteraard wilde ik weten hoe iets achtentwintigduizend keer lekkerder kon zijn dan kraanwater. Met mijn neusopeningen over de rand van het glas snoof ik een ingewikkelde geur op. Ik rook halfvergaan fruit, rottend hout en vochtige aarde. ‘Is dit het sap dat onderuit een composthoop sijpelt?’ vroeg ik. Weer die opengesperde ogen, maar het lachje van eerder bleef uit. ‘Dit is wijn, dat is gegist druivensap,’ zei ze met nadruk op ieder woord. Ik bedacht dat ‘gegist’ klonk als ‘iets van gisteren. Zo rook het ook – als iets wat verre van vers was.
Ze vroeg me: ‘Wie heeft jou in godsnaam hier uitgenodigd?’
‘Ik ben ook lid van de Facebookgroep van Nederlandse overwinteraars in Spanje,’ zei ik.
‘Dus je dacht: ik ga naar hun bijeenkomst en dan laat ik zien dat ik een idioot ben.’ Ze nam een slok.
‘Ik ben geen idioot. Maar wat jullie zeggen en doen, hier en online, dat verbaast me wel.’ Er verscheen een krampachtig lachje, terwijl ze doorslikte. Haar gezicht zag eruit alsof het pijn deed in haar mond, maar ze dat niet wilde toegeven, zelfs niet aan zichzelf.
‘Hoe heet je op Facebook?’ vroeg ze. Ik noemde mijn naam.
‘Ken ik niet. Post je wel eens wat?’
‘Nee, ik lees alleen maar mee. Zoals die posts dat het Spaanse bier zo geweldig is, geschreven door ene Jacoba Grolsch. Ik vind dat grappig.’
‘Nou leuk, toevallig ben ik dat. En zoals je ziet, ik lust ook wijn.’ Nu glimlachte ze weer.
Iemand schoof een schaaltje naar ons toe: ‘Hier, chorizo. Van het huis. Twee plakjes voor iedereen.’ Grolsch pakte gelijk haar rantsoentje en schoof de worst door naar mij.
Ik nam er niet van. ‘Dat betaal je eigenlijk zelf met die zes euro,’ zei ik. Het bleef even stil.
‘Ik vind je raar. Ik denk dat ik liever ergens anders ga zitten.’
‘Ik vind jou ook raar. Op de groepspagina zet je allemaal dingen tegen stierenvechten. Ik dacht dat je een dierenvriend was.’
‘Ben ik ook.’
‘Maar waarom eet je dan dode dieren?’
‘Dode dieren?’ vroeg ze alsof ze me werkelijk niet begreep. Ik wees naar de chorizo.
‘Dat zijn geen dode dieren, dat is worst. Dat maken ze van varkensvlees.’ Toen stond ze op.
Ik schonk me nog een glas water in – van het huis. Het had vermoedelijk een dag in een blauwe fles in de zon gestaan, want het had niet de gangbare chloorsmaak.
Een vrouw kwam binnen en Grolsch riep haar toe: ‘Je moet niet naast haar gaan zitten, zij doet vervelend.’ De nieuwkomer lachte zenuwachtig. Twee dames aan de overkant van de tafel keken op. Eentje met plastic bloemen in haar haar vroeg: ‘Wat doet ze dan?’ Nu keken er minstens vijf mensen naar mij.
‘Ik drink water en ik eet geen vlees.’
‘Ze drinkt geen wijn omdat kraanwater goedkoper is,’ zei Grolsch met het glas in haar hand.
Van de overkant van de tafel klonk het half lachend, maar duidelijk: ‘Jij bent wel heel erg Nederlands, als je zo op de centen let.’ Aan alle kanten werd gegrinnikt. Iemand riep: ‘In Spanje leven we een beetje losser hoor. Niet van dat benauwde! Wie wil er nog iets bestellen?’
De vrouw met de bloemen boog zich over de tafel naar mij toe: ‘Ik ben ook vegetariër, maar dat is hier in Spanje niet zo in de mode.’ Ik knikte.
‘Woon je in de buurt?’ vroeg ze.
‘Niet echt.’
‘Waar dan?’
‘El Gordo,’ zei ik.
‘Waar zegt ze dat ze woont?’ vroeg Grolsch, die met haar wijnglas om de tafel liep.
‘El Gordo!’ riepen er twee ten antwoord.
‘Dat is een sterrenstelsel,’ riep een van de mannen die in een klein clubje aan een uiteinde van de tafel zaten. Ik knikte. ‘Maar het is ook een dorp ten westen van Madrid,’ zei ik tegen de vrouw met de bloemen. ‘Het was twee dagen reizen met de bus.’
Jacoba Grolsch goot haar laatste slok wijn achterover, en schalde haar conclusie door de tent: ‘Ze is dus een alien, dat verklaart alles.’
‘Maar wel een alien met Facebook,’ klonk het uit de mannenhoek.
Grolsch had zich moed ingedronken en vroeg luidkeels: ‘Ga je deze belachelijke ontmoeting nu publiceren als jouw reisverhaal?’
‘Nee. Maar misschien schrijf jij er iets over op de groepspagina?’
‘Jacoba,’ riep een van de mannen, ‘Jacoba, schatje, schrijf er iets leuks over op je boomer-blog.’ Ze schudde haar hoofd.
‘Ben je een babyboomer?’ vroeg ik haar.
‘Wel nee, ik pas niet in zulke schema’s. Maar jij wel zeker?’
‘Nee, soms denk ik dat ik veel ouder ben, van voordat mensen dieren gingen doden, en soms denk ik dat ik nog heel lang moet wachten voordat ik hier kan landen.’
Haar mond viel een stukje open, ze boog zich iets voorover naar de dames die daar zaten. Langzaam kwam haar lege hand een stukje naar boven, met een wijsvinger die naar mij wees. ‘Ze is echt een alien. Ze is gevaarlijk. Die moet hier weg.’ Er werd wat geknikt en gemompeld. Het welkom van de overwinteraars in Spanje was verlopen.
