Wat een plezier weer! Vandaag presenteert Literair Tijdschrift Pardon Hervé Suys (°1968 – Ronse, België). Hij begon korte fictie te schrijven toen hij van een sportblessure herstelde. Vlaamse krant De standaard schreef over zijn debuutbundel: “In Water Verpakken geeft Hervé Suys in 83 korte verhalen, van één zin tot acht pagina’s, blijk van een levendige fantasie en een goed observatievermogen”. Naar eigen zeggen schrijft hij ‘doorgaans blootshoofds en barrevoets’. Met veel genoegen presenteren wij u het verhaal Helmut.
De eerste die hem Helmut noemde was een – hoewel het pas kort na de middag was – flink beschonken Dikke Dave die er op stond een rondje te trakteren aan iedereen in de zaak, ook de stille rijzige onbekende man die al enkele weken in onze buurt rondhing. Het moet op een dinsdag geweest zijn, want de platenzaak waar ik werkte sloot op dinsdag, dan ging de baas per boot nieuwe platen kopen in Londen. We verkochten vooral Britse popmuziek, maar de baas, een Amerikaanse ex-basketter wilde enkel jazz horen in zijn zaak. Iedereen noemde hem Mack, enerzijds omwille van de manier waarop hij het Franse ‘mec’ uitsprak en ’kerel’ bedoelde, anderzijds omdat hij door zijn meer dan dubbele meter bij iedereen ontzag inboezemde, hoewel we hem nooit een mes hebben weten trekken, in tegenstelling tot het personage in de song Mack the Knife, een van de weinige songs die hij meezong. Die platenzaak moet zowat de grootste of zelfs enige trekpleister van de wijk geweest zijn, zelfs bedelaars waren er niet. Wie er kwam, kocht doorgaans meteen meerdere platen, omdat de weg erheen zo mistroostig was. Het dichtstbijzijnde metrostation was vijf straten verder en je moest vanuit het centrum van de hoofdstad puzzelen om op de juiste lijn te geraken.
Ik woonde samen met een Ecuadoraanse vrouw. Ze was conciërge in een kleine appartementenblok, halverwege het metrostation en de platenzaak. Een job die eigenlijk haar man toebehoorde, maar die zij verderzette zolang hij in de gevangenis zat. Het betaalde niet veel, maar we woonden kosteloos en met mijn loon erbij probeerden we rond te komen. Ik hield ervan hoe ze bepaalde woorden met een Spaans accent uitsprak. Wanneer ze echter merkte dat ik op zo’n momenten al eens de spot met haar dreef, begon ze in haar taal allerlei verwensingen naar mijn kop te slingeren. Dan kon ik beter maken dat ik me uit de voeten maakte. Dan twijfelde ik vaak tussen het metrostation en naar de kroeg rechtover de platenzaak gaan. Ik koos lange tijd voor het laatste, vooral omdat Lily in de kroeg werkte. Lily en ik waren lange tijd een koppel, maar ik heb het volledig bij haar verknald door – in een zatte bui weliswaar – met een andere meid aan te pappen, die er niet beter had op gevonden dan het overal te gaan rondbazuinen. Ze heeft het me later min of meer vergeven en soms flirtte ze nog wel eens met mij, maar het is nooit meer geworden wat het was, ook niet toen we het later nog eens een kans gaven, nadat die Ecuadoraanse opgepakt werd.
In de platenzaak kwamen wel vaker rare snuiters, zoals in de meeste platenzaken, vermoed ik. Niemand keek nog op van een groen geverfde hanenkam, een te diepe decolleté of lang haar en dito baard. Ook iemand met een helm op viel niet meteen op. Het moet ontzettend onhandig zijn je helm in je ene hand houden terwijl je tussen de elpees kijkt en er al eens een wilt van tussen halen, dacht ik. Het gebeurde al eens dat een fietser of motorrijder zijn helm aan de balie in bewaring wou geven, maar dat had Mack liever niet. Niet zijn verantwoordelijkheid of probleem, zei hij, dus hielden de meeste hem op. Zo ook diegene die we later, naar het voorbeeld van Dave, Helmut waren gaan noemen. Niemand die ik ken heeft hem ooit op een fiets, brommer of godbetert rolschaatsen gezien, maar toch hield hij steeds die helm op. Altijd en overal, niet enkel in de platenzaak, maar ook in de kroeg. Het was een mat zwart driekwartsmodel, zonder kinbescherming, maar met een immer open riempje en zonder franjes, geen stickers erop of zo. Het had evengoed die van een F16-piloot kunnen geweest zijn.
Bij mijn weten dronk hij altijd een gewoon pilsje, meestal meerdere, die hij in drie teugen ledigde. Hij zat steeds aan hetzelfde tafeltje, het tweede rechts naast de deur. Hij staarde immer voor zich uit, onverstoorbaar.
Zijn echte naam heb ik nooit geweten, maar ik betwijfel het ten zeerste dat het Helmut was.
“En geef dingske daar… Helmut ook iets,” zei Dikke Dave die dinsdag.
Helmut stond op, liet wat kleingeld op tafel liggen en vertrok zonder iemand aan te kijken.
“Moh… wat een… sorry, Lilly. Ik wou gewoon, je weet wel… Je kent mij, hé,” bralde Dave en hij begon te wenen.
Ik dronk mijn glas leeg en ging ook naar buiten. Ik wou weten waar Helmut woonde en volgde hem. Hij ging de richting van het metrostation uit, maar nam die niet. We verlieten de wijk en kwamen in de betere buurten, met kledingzaken in plaats van pandjeshuizen en waar groenten en fruit niet op straat uitgestald stonden, maar keurig in een zelfbedieningswarenhuis lagen. Het geurde er ook anders. De mensen leken er te slenteren, behalve Helmut en ik. Hij hield nergens halt, zelfs bij oversteekplaatsen wachtte hij niet tot het licht op groen sprong. Ik had moeite hem bij te houden en ben hem uiteindelijk uit het oog verloren niet ver van het West Station.
Later heb ik het traject dat hij stapte proberen te reconstrueren op een kaart en heb het meermaals opnieuw afgestapt, maar zag er geen duidelijk patroon in.
Nadat de Ecuadoraanse opgepakt werd verbleef ik, in afwachting dat er in de buurt iets vrij kwam, nog enkele weken in de conciërgewoning en nam de bijhorende taken op mij, zoals daar zijn de vuilniscontainers buiten zetten. Hierbij moest ik de deur enkele ogenblikken onbeheerd laten. Het was op zo’n moment, ik duwde een tweede container voor me uit, dat Helmut naar binnen glipte, ik herkende hem aan zijn helm. Ik riep hem na.
“Hela, Helmut.”
Hij was halverwege de trap naar de eerste verdieping, draaide zich om en zei: “Ik ben dokter. Laat die deur open.” Even later stopte een ziekenwagen met loeiende sirenes voor de deur en haastten twee verpleegkundigen zich naar boven.
De buren kwamen nieuwsgierig kijken en vroegen wat er aan de hand was.
“Ik weet het niet zo goed,” zei ik. “Helmut is blijkbaar een dokter.”
Enkele minuten later kwamen de verpleegkundigen rustig naar beneden.
“Bent u de conciërge?”
Ik beaamde.
“Goed dat de dokter er was. Het was maar op het nippertje,” waarna ze deze keer zonder sirenes vertrokken.
Helmut zelf kwam niet naar beneden. Hierna heeft niemand hem ooit nog gezien.
Ik deed navraag bij alle bewoners, maar niemand had hulp ingeroepen van een ziekenwagen of dokter.
THE END
