Wij zijn blij om u vandaag drie gedichten van Michael Vonk te kunnen presenteren. Om misverstand over leesvolgorde te voorkomen heeft Pardon ervoor gekozen de gedichten te nummeren. Michael zelf leidt de gedichten in:
“De drie gedichten – De statica van het fatum, Het principe van de passer en Het soevereine decreet – onderzoeken de beklemming van het moderne systeem (de bouwput, het burgerlijk interieur, het slachthuis) en het broze moment waarop de mens de machinerie stillegt.”
Michael Vonk (1992) schrijft proza, essays en poëzie. Hij zoekt maatschappijkritiek in magisch-realisme, absurdisme, satire en dystopie, maar probeert ook troostend te zijn. Zijn werk verscheen in De Groene Amsterdammer, Elders Literair, Shortreads, Verhaal van de Maand, Vertelvuur, Lezenswaardig!, Lentezine, Berg Literair Tijdschrift, Het Gezeefde Gedicht en verhalen- en dichtbundels. In 2026 won hij de PEN/GAU Schrijfprijs.
1 De statica van het fatum
Hij trekt de schoenen van een dode aan,
loopt met een slome tred de bouwput in,
waar beton al uren tot steen verhardt.
Niemand kijkt op. De radio jankt vals
over een markt die schommelt in het rood.
Hij bukt, pakt een loszittende baksteen
uit de muur die gisteren pas werd gezet,
draagt hem in zwijgende handen naar voor
en legt hem dwars op de natte cementvloer.
Het werk ligt stil. Een voorman tipt zijn pet,
spuugt een sliert bruin sap op de fundering,
en zwengelt zwijgend de dieselmotor aan.
2 Het principe van de passer
De porseleinkast zwijgt in het linoleum.
Zij drukt haar vinger op de scherpe naad
waar het behang vergeelt van eigen gelijk.
Hij schraapt zijn keel met een precisie
die het stof doet schrikken op de richel.
Een stoel schuift achteruit: de rechterstoel.
De soep is lauw. De witlof snijdt men
in gelijke parten van volstrekte rede.
Niemand knippert; het vlees wordt doorgeslikt.
Buiten valt de regen in rechte lijnen
alsof de hemel zelf zijn liniaal hanteert
en nalaat ergens ook maar één mens te zien.
3 Het soevereine decreet
De karkassen glijden aan stalen haken voorbij.
Tl-licht reflecteert in plassen op de vloer.
Het rooster trilt door de draaiende machines.
De voorman overstemt het lawaai met een grap.
Een stierkalf hangt ondersteboven aan de band.
De neus hapt nog schokkend naar zuurstof.
Witte wimpers knipperen tegen het bloed.
Zijn huurachterstand bedraagt twee maanden.
Hij legt zijn kartelmes op de zinken tafel.
De band moet doordraaien, schreeuwt de voorman.
Zweet plakt het haarnetje aan zijn voorhoofd.
Hij loopt naar de rode noodhendel aan de muur.
Zijn vingers sluiten om het koude metaal.
Hij trekt.
De stalen kettingen piepen, schokken, staan stil.
De zware motoren zoemen langzaam uit.
Drie collega’s kijken hem met open mond aan.
Stilstand kost de hal duizend euro per minuut.
Hij stapt over de natte roosters naar het dier.
Zijn tijdelijke contract eindigt op vrijdag.
Hij veegt zijn handen af aan zijn witte schort.
Hij aait de trillende flank van het kalf.
Hij pakt het schietmasker van de stalen haak.
En drukt de kolf strak tegen het voorhoofdsbot.
