Beste lezers, de auteur van vandaag Gilbert Keyzer, is dichter, romancier en verhalenschrijver. In 2015 debuteerde hij met de roman ‘Albert en de doden’. Pardon bood hij eind vorige maand onderstaand verhaal aan. Met trots presenteren wij ‘Ambers laatste lamp’.
De jonge kunstenares goot resin, een vloeibare kunsthars, vermengd met verharder in een rubber bekken, waarin ze de elementen van een bergachtig landschap en een snoertje met ledverlichting had aangebracht.
Amber roerde in de hars en liet voorzichtig een door haar beschilderd kunststof hertje in de vloeistof zakken. Ze liet haar creatie drie dagen met rust, totdat de hars goed was uitgehard. Met een dun, scherp mesje bevrijdde ze haar kunstwerk uit het bekken en schakelde met een drukknopje, dat aan de zijkant van het tafereel zat, de verlichting in.
Het hertje stond tussen naaldboompjes, door rots partijtjes omgeven, naast een meertje. Een miniatuurzon scheen tussen de wolken door en baadde alles in een goudkleurig schijnsel.
Alweer geslaagd, zo dacht de kunstenares, terwijl ze de veiligheidsbril afzette en de latex handschoenen uittrok.
Ze klemde het kunstvoorwerp, harder dan beton, in een bankschroef, waarvan zij de kaken met een dikke handdoek had bedekt en begon de zijwanden met een machine te polijsten.
Zo had ze vijf kunstwerklampen vervaardigd.
Ze plaatste ze naast elkaar op haar werkbank. Leken ze nou niet te veel op elkaar? Een hert, een beer, een vos, een reiziger, fantasievogels…Dat exemplaar met een lege jeep in een woestijnlandschap was wel bijzonder.
Ze verschilden volgens haar net voldoende van elkaar, om het geen seriewerk te kunnen noemen.
Die figuurtjes en dat autootje maakte ze niet zelf, die kocht ze in speelgoedwinkels.
Mooi, had haar familie de producten van haar creativiteit beoordeeld. Maar echte kunst was het volgens hen pas, als zij ook die figuurtjes zelf zou vervaardigen.
Dat zou wel een heel gepriegel worden, voorzag Amber, teleurgesteld over dit oordeel. Ik kan toch ook tafereeltjes maken, zonder poppetjes. Zouden ze dan niet te saai worden? Ik verkoop ze als lampen, als sfeerverlichting, maar ik wil dat ze me als kunstenares beschouwen.
Haar moeder adviseerde haar, met haar lampen op de zaterdagmarkt te verschijnen.
Amber volgde haar raad op.
Inmiddels had ze er negen, die ze allemaal meenam en uitstalde in het kraampje, dat ze gehuurd had. Ze had een accu gekocht, zodat alle lampen voortdurend konden branden.
Het werd een zeer teleurstellende dag. Misschien drie of vier marktgangers bleven staan. Een van hen tilde een lamp op en liet die bijna uit zijn handen vallen.
Ze luisterde naar de schelle, harde stemmen van marktkoopmensen, die onophoudelijk hun waren aanprezen en dacht: zou ik het ook op een schreeuwen moeten zetten? Dat durf ik niet. Wat ik verkoop, hebben de mensen niet nodig.
Volhouden, vond haar moeder. Als je er eenmaal een hebt verkocht en men ziet je klant ermee lopen, komen ze vanzelf.
De volgende zaterdagochtend telde haar verzameling elf exemplaren.
De dag leek zich op dezelfde wijze te ontwikkelen.
Tegen het middaguur was er welgeteld een belangstellende verschenen, een vrouw die haar om de prijs vroeg en daarna een minachtend gezicht trok en hoofdschuddend verder liep.
Dit is de laatste keer, dat ik hier ben. Ik geef mijn lampen cadeau, aan iedereen, die ik aardig vind.
Een rijzige man benaderde haar kraam. Hij droeg een zonnebril en een zwarte hoed. Hij groette haar met een glimlach en bekeek voorovergebogen lamp voor lamp, zonder ze aan te raken.
‘Een bijzondere verzameling.’
Amber knikte. ‘Ik heb ze zelf gemaakt.’
‘Dan bent u dus een kunstenares.’
Deze opmerking verheugde haar zeer.
Hij wees op een exemplaar, waarin een vos het centrum vormde.
Ze bloosde van plezier. Ze tilde het exemplaar in een tasje en ontving het gevraagde bedrag.
‘De lamp krijgt een prominente plek in mijn huis’, beloofde haar eerste klant.
‘Dank u zeer!’
Al zou ze verder niets meer verkopen, haar dag beschouwde ze als geslaagd.
Ik had het niet moeten inpakken. Nou kan niemand zien, dat hij een lamp van me heeft gekocht.
Ze verkocht niets meer, die dag.
Voor de derde keer pakte ze haar verzameling uit, die inmiddels uit twaalf exemplaren bestond.
Men slenterde langs, wierp korte blikken op haar lampen en liep door.
Ze had overwogen om haar prijzen fors te verlagen.
‘Je moet de mensen het idee geven, dat je iets exclusiefs presenteert’, had haar moeder opgemerkt.
Amber zat op haar stoeltje en keek, naar hetgeen andere kraamhouders te koop aanboden. Het betrof hier speelgoed, imitatiejuwelen, kleding
en gebruiksvoorwerpen.
Tot haar verassing benaderde haar omstreeks dezelfde tijd als de vorige zaterdag de rijzige man.
Hij groette haar en haalde de zonnebril van zijn hoofd. Hij had onderzoekende ogen, die alles met aandacht bekeken, zonder te loeren.
‘Uw verzameling heeft zich uitgebreid.’
‘Ik heb er twee gemaakt, de afgelopen week.’
‘U bent zeer vaardig. Het lijkt wel, of iedere nieuwe lamp weer een beetje fraaier is dan de vorige. Wat is het oudste exemplaar? Die eerste daar?’
‘Ja, dat is mijn eerste. Hij is niet helemaal perfect geworden.’
‘Dat lijkt me nou juist de charme ervan.’
Hij betaalde de lamp.
‘Ik ben mijn tasjes vergeten.’
‘Dat geeft niet. Ik ga zo meteen lunchen en dan zet ik de lamp voor me op de tafel. Als iemand me vraagt, waar heeft u die lamp vandaan, dan verwijs ik ze naar u.’
‘Dat is heel erg aardig mijnheer. En zegt u maar Amber hoor.’
‘Dank je wel Amber. Mijn naam is Luc, van Lucerna, dat lamp betekent.’
“Die naam heeft hij volgens mij gewoon verzonnen. Die man is volgens mij verliefd op je. Hij wil gewoon indruk op je maken’, vond haar moeder.
‘Ach welnee. Op mij?’
‘Wat is er mis met mijn enige dochter?’
Ze had amberkleurige ogen en geen slecht figuur. Ze had een paar keer een vriendje gehad. Amoureuze mislukkingen hadden haar onzeker gemaakt.
‘Het lijkt me een leuke vent. Maar ik ben veel te jong voor hem.’
‘Ik ga zaterdag met je mee. Ik wil hem wel eens zien.’
‘Ik wil geen chaperonne mama.’
De kunstenares besloot voorlopig geen lampen te maken.
Misschien koopt hij ze wel allemaal. En wat dan?
Inderdaad verscheen Luc die zomer iedere zaterdag, waarbij hij telkens een lamp kocht. Nooit had zij een andere klant. Nooit begon hij een praatje.
Nadat hij haar voor haar laatste lamp had betaald, bedankte hij haar.
‘Je kunstwerken staan overal in mijn huis.’
‘Dat is heel leuk om te horen.’
‘Ben je er volgende week weer?’
‘Ik heb geen lampen meer. Ik weet niet, of ik ze nog wil maken.’
Hij trok een treurig gezicht en leek naar woorden te zoeken. ‘Dat is dan heel teleurstellend.’ Na een korte groet liep hij bij haar vandaan, met de lamp onder een arm.
Wat is die verlegen zeg, vond Amber.
‘Wat moet ik nou?’ vroeg ze haar moeder. ‘Ik kan toch niet doorgaan met lampen maken en die alleen maar aan hem verkopen?’
‘Misschien verkoopt hij ze wel door, met winst.’
‘Misschien kan ik beter sjaaltjes en kleedjes gaan haken.’
‘Er schiet me een plan te binnen. Er komt wel flink wat gepriegel bij kijken. Ik zal je ermee helpen.’
Slechts een lamp stalde ze de eerstvolgende zaterdag uit, tegen de tijd waarop Luc telkens was verschenen.
Zal je zien, dat hij niet komt opdagen, somberde de kunstenares.
Niemand besteedde aandacht aan haar of haar kunstwerk, hetgeen haar verheugde.
Later dan gewoonlijk verscheen haar trouwe klant.
‘Goedemorgen Amber. Heb je zo goed verkocht of heeft je creativiteit je in de steek gelaten?’
‘Kijk zelf maar.’
Luc zette zijn zonnebril af en boog zich voorover naar de lamp.
Temidden van een leegte, onder maneschijnsel en op woestijnzand, stond een miniatuurmannetje, voor altijd gevangen in hars, dat een zwart hoedje en een zonnebrilletje droeg.
‘Het is een cadeau.’
Verbluft keek Luc haar aan. ‘Dat lijk ik wel!’
‘Dat was mijn bedoeling ook.’
‘Ga je… met me uit vanavond?’
Amber knikte glimlachend.
