Ach, terwijl de takken rond zwiepen en hun bladeren door wind worden afgerukt denken wij terug aan de zomer. U bent van ons meer omvangrijke bijdragen gewend maar vandaag passeert een gedicht als in de storm die over het land trekt.
Antoon van Laanen werd op 18 augustus 1953 in Ravenstein, een mooi stadje aan de Maas in Noordoost-Brabant, geboren. Na de Mulo, Havo en de Pedagogische Academie is hij in het onderwijs gaan werken.
Al in zijn late tienerjaren schreef hij af en toe. Hij had toen weinig vertrouwen in zijn eigen schrijven en het raakte daardoor lange tijd op de achtergrond. Na zijn pensionering kwam het schrijven opnieuw in zijn leven. Eerst maakte hij filmpjes van verjaardagen en uitstapjes met kinderen en kleinkinderen. Een paar jaar later begon hij gedichten te schrijven.
Zijn gedichten ontstaan vaak vanuit wat hem raakt in het leven: een herinnering, een ontmoeting, de natuur of een klein moment dat iets bij hem losmaakt. Soms begint een gedicht met een gebeurtenis, soms met niet meer dan een woord of een zin. En soms begint hij gewoon te schrijven en merkt hij opeens: hier moet ik zijn. Vanuit zo’n eerste aanzet ontstaat langzaam het gedicht, dat hij daarna verder polijst.
Zijn gedichten bewegen zich vaak op de grens van het alledaagse en het filosofische, van leven en dood, van wat zichtbaar is en wat daarachter ligt.
Bij elk gedicht maakt hij ook een video, die hij zelf inspreek. Beeld en muziek kunnen daarbij een extra laag aan het gedicht geven, maar de tekst blijft voor hem leidend.
hoog zomer
stof plakt
aan vel en been
geen wind,
geen zucht
mijn adem gloeit
en….
in trillende,
vlammende lucht
verdamp ik
om mij heen
een zee van bloot
verkleurt zacht
in vurig rood
op terras
jengelt kroost
men eet,
men drinkt…
en bloost
in gepeperde zuurstof
zwijgen vogels
in dor, koel hout
straks waait
een laatste vlinderde zomer uit
op kille avondwind
aan de horizon snijden
de eerste windvlagen
als een zwaard
de zwoele lucht
binnenkort verlangen we
weer naar de zon
allang vergeten
hoe hard zij steken kon
