Vandaag presenteert Pardon drie gedichten van Hedianne Bosch. Haar dichtader, waarover ze in de inleiding op haar eerste drie gedichten voor Pardon schreef, brengt ons vandaag weer woorden om bij stil te staan. Ze schreef ons eerder, en wij namen dat weer over; ‘Dichten is een intieme, hoogstpersoonlijke bezigheid, licht verslavend ook voor wie eraan begint.’
lummeltijd
het fijne van elders is de lege ordelijkheid
waardoor je direct ziet dat er een kopje ontbreekt
of dat er in ieder geval een aardappelschilmesje
aanwezig is, je kunt je ergeren aan de te kleine
soepkommetjes, maar je oog valt ook op
vlekkeloze planken, geboende vloertegels, de
afwezigheid van haren in het ligbad, alles
herinnert je eraan dat je vertrokken bent, dat er
niks te doen is, dat het je taak is om te lummelen
zonder te proberen daar beter in te worden.
vakantie is eigenlijk dat: er is geen hooi om op je
vork te prikken, je boerenkiel kan uit, je hoeft
geen eigen boontjes te doppen want je hebt aan
kant-en-klare maaltijden gedacht.
je kunt de boel de boel laten, ook al is het thuis
een janboel, er zijn geen potjes die ketels iets
verwijten, want alles glimt als nieuw, de
schilderijen aan de muur zijn als ambient music,
je kunt ernaar kijken zonder iets te zien, vanzelf
schuift je blikveld naar de leegte van witte muren,
tijdloze meubels en lampen die de sfeer niet
verlichten maar het gewoon doen.
buiten, op het platje aan water, kun je zitten om
te zitten, je onledig houden met het kijken naar
schaatsenrijdertjes op het wateroppervlak of in
het kroos happende eendjes, of je kunt er wat
ronddrentelen want waarom ook niet, je wilt een
wandeling maken maar stelt het toch zo lang
mogelijk uit, want niets hoeven voelt zo lekker,
iets in je zegt dat je zou moeten koken, maar je
doet het niet, potjes en restjes maken je heerlijke
huisje tot restaurant, je geeft jezelf een fooi na
afloop en voelt wat nieuwigheid in je opborrelen.
je ontdekt dat lummelen geen plek is maar je
moet er wel plaats voor maken, het is dan wel
een werkwoord maar toch eerder een rustoord
waar werkschuwe zielen antwoorden kunnen
vinden op niet gestelde vragen, want de oren van
het lijf gaan liever lellebellen in hun
schelpenhangmat,
lummelen neemt leeftijd en ademruimte in, maar
heeft een tijdloos design, vorm en inhoud zijn
twee woorden voor hetzelfde, de stilte is in de
beweging, het is een soort ebben tijdens de
vloed.
weer thuis wacht de rommel, het onkruid, de
volle wanorde, het gebrek aan lummeltijd, het
moeten, het tijdsbestek, de man van de
warmtepomp, hij noteert vast de volgende
afspraak voor over een jaar, je voelt een drang tot
uitpakken, opruimen, wasmachines draaien, je
draait mee met de trommel, rond en rond, je
zingt een wielenliedje, schoon en wel denk je op
de oude voet verder te gaan.
dan kom je erachter dat de oude voet in nieuw
schoeisel is gestoken, de maat wat groter, zodat
er een lummeltje of twee in past, die je op de
voet volgen, je merkt dat hot en her ook zonder
rennen kan en dat er stilte in de storm.
beginnen is het moeilijkst
het is soms beangstigend als de dag plotseling
open en bloot aan je voeteneind ligt en jij
kennelijk de aangewezen persoon bent om de
aankleding te verzorgen en kleur te kiezen, terwijl
je nog niet eens hebt besloten of je hoofd al in
waakstand staat.
het is moeilijk uit de nacht op te staan als de
droomdekens om je heen blijven hangen, zit niet
zo te zeulen zeg je tegen jezelf, maar er helpt geen
lieve vader of moeder, je staat er alleen voor.
er drijven gedachtenwolkjes om je slaapkop die
oeverloos tegen je aan blijven babbelen over
dingen die gedaan, hoewel uitstellen ook af en
toe genoemd wordt, zo’n wolkje grijp je even vast
om te knuffelen want het scheidingsvelletje
tussen uitstel en afstel is vaak flinterdun.
het beginpunt bepalen is het moeilijkst, het geven
van een startschot, de keuze voor het eerste been
uit bed, de nacht vraagt om een toegift maar je
weigert, je kan niet meer oogluikend toekijken,
het gordijn moet open.
eenmaal opgestaan, staat je een lange dag van
menszijn te wachten, je vraagt je af of je daar
tegenop kan wassen als tandenpoetsen al een
hele klus is, hoeveel waskracht heb je eigenlijk,
kun je gedane zaken laten omkeren door fanatiek
te poetsen of laat je liever de boel de boel, een
tijdje laten inweken werkt misschien net zo goed.
het is ’s ochtends vroeg vaak lastig om uit te
vogelen voor welke baan je nu weer bent
aangenomen, welke taken en in welke volgorde
en wat is de deadline, aan het handje
meegenomen worden speelt door je gedachten,
zoals een kind op haar eerste schooldag of langs
een druk kruispunt zodat je veilig bent en je
onbedoeld toch op je doel afgaat.
gaandeweg schijnt je lichaam zich toch door de
dag heen te bewegen, je wordt bezig gehouden
terwijl je het gevoel hebt bezig te zíjn, maar
misschien is beide waar, de dagdeals liggen op
een presenteerblaadje dat steeds achter je aan
blijft schuiven, je kiest zorgvuldig want je wilt je
dag goed besteden, tijd is geld.
soms ben je er met je hoofd even niet bij, je bent
sowieso niet goed in multitasken, je handen
kunnen het ook wel alleen af, die krijgen zo
meteen wat meer zelfvertrouwen, vervelender is
als je hart pauze wil nemen terwijl je hoofd
zich geen raad weet en je benen oververmoeid
zijn geraakt van het traplopen om boven en
beneden op één lijn te krijgen.
je verzint er wel wat op want je wilt niet dat je
hart in je schoenen wegzinkt, dan ben je nog
verder van huis en vind de weg dan nog maar
eens terug op je laatste benen, je zoekt naar
plakrandjes om jezelf bij elkaar te houden, je
denkt aan theemomentjes, tussendoortjes,
een ommetje kan ook.
’s avonds probeer je terug te schakelen,
geleidelijk af te remmen voor het naderend
stoplicht van de nacht, je verlaat je
gedachtenachtbaan, de haast begint
uit je te lekken, je krijgt schemerplekken in
je hoofd, vindt je weg in het halfdonker,
je automaat kan op parkeerstand, alles
mag dimmen, de leunstoel lonkt.
je geeft toe dat je moe bent en toch geef je
er liever niet aan toe want hoe overbrug je het
gapend gat tussen waak en slaap,
slaapverwekken is een woord dat in je
opkomt maar hoe verwek je zoiets?
op goed geluk stap je dan maar met beide
benen in bed, sluit je ogen en hoop
je dat er ergens van binnen een knopje
omgaat dat je hoofd op ‘niet storen’ zet zodat
je zonder moeite aan het uiteinde van je dag
kunt beginnen.
hersenstilte
ik hoop nog eens alle kukelhaantjes, kwaakhalzen,
kakelkinderkopjes tot bedaren te brengen, ze vast
te klinken aan kabels, een einde te maken aan de
kakofonie van rondzingende boventonen.
duizenddingendoekjes snappen niet dat ze soms
zelf het ruime sop moeten kiezen om stof te laten
bezinken en te onttroebelen.
ik zie niet in waarom de radio dag en nacht aan
moet staan, de presentatoren babbelen hun
stemmen schor terwijl ik genoeg heb aan een
enkel weerbericht: ik hoor graag wanneer er
storm op komst is, zodat ik op tijd dekking kan
zoeken, om niet later de gescheurde flarden van
mezelf bij elkaar te hoeven rapen of, erger nog,
vermist te raken tussen weggevaagde
boomgrenzen en instortgevaarlijke schuilhutten.
ik moet de overstemmende trap afdalen om de
grondtoon te vinden, ik weet dat ik het lagerop
moet zoeken om mijn hoogmoed kwijt te raken,
ontsnapping begint op celniveau, de middenstem
hult zich in aardtonen.
om horizonnen te verkennen kan ik mij het best
op de vlakte houden om met spiegelogen vertes
dichtbij te halen zonder details in het oog te laten
springen, onscherpe beelden zorgen soms juist
voor opheldering.
in het oog van de orkaan is het kraakstil.
