Wederom een vers verhaal van redacteur Marcel Rijken. Wij van Pardon streven er naar u geen dag zonder verhaal te laten zitten. Er is een prima inzending binnengekomen, maar de selectie die de redactie daaruit voor een eerste plaatsing maakte moet nog met de auteur besproken worden. Wij hechten aan goed overleg. Stuur uw verhaal in!
Ruim veertig jaar nu, of zo. ‘Marianne, veertig jaar?’ ‘Veertig jaar wát lief?’ ‘Op de kansel?’ ‘Nee Arnold. Nee.’ Nu goed, ik weet niet hoe lang nu op de kansel. Het is mijn leven. ‘Waar denk je aan schat?’ ‘Aan de kerk lief.’ ‘ Wat zou je nog graag op de kansel staan hè lieverd?’ ‘Ja. Heel graag.’ Nu, waar was ik? ‘Eet je je boterham op? Het droogt uit. Ik heb er aardbeitjes op gedaan. Dat vind je toch zo lekker?’ ‘Ja lief. Ik neem ze.’
Ik moet het gesprekje met de kinderen voordat ze naar kindernevendienst gaan nog voorbereiden. ‘Evelien, waar is de map?’ ‘Welke map Arnold?’ ‘Die voor de kinderen.’ ‘Die is weg schat. Je hebt hem aan Johan gegeven. Weet je dat niet meer?’ ‘Maar ik heb hem voor zondag nodig!’ ‘Ik zal Johan vragen. Eet je nu je brood op?’ ‘Het brood des levens!’ ‘Dat is spotten mannetje!’ ‘Ja, dat is zo.’
Naar de kerk gaan Arnold en Evelien niet meer. Dat was niet meer te doen. Afgezien van bet feit dat ze beiden ruim in de negentig zijn, lijdt Arnold steeds meer aan verwarring. In de kerk gaf dat ongemakkelijke situaties. Arnold die in de preektuin bij de kerkenraad wilde gaan zitten. Soms zelfs afgehouden moest worden van de preekstoel beklimmen als hij dacht dat hij moest preken. Het was zijn oude gemeente geweest.
Eenmaal had het goed uitgepakt. De vaste dominee was plotseling ziek geworden en er zou door een ouderling een preek gelezen worden. De ouderling zou ook de rest van de dienst voor zijn rekening nemen. Arnold wurmde zich uit de bank, trad waardig naar voren en nam, zonder omhaal, de dienst van de ouderling over. Heel de kerkelijke gemeente had in uiterste spanning, bang voor een flater, zitten afwachten, maar het was allemaal goedgekomen. Bij de voorbeden stond ook zijn naam genoemd maar die negeerde hij. Bij zijn uitspreken van de zegen was iedereen ontroerd geweest. Na de dienst, de man was op automatisme gegaan, had hij zelfs een hand gekregen.
Toch kon dit risico niet meer genomen worden. Het huis van God is geen speeltuin voor de geestelijk verdwaasden en Evelien had, voordat men tot de vraag kom komen, haar conclusie getrokken. Arnold komt niet meer in de kerk. Zij dan ook niet.
Zijn vuur is niet weg. De roeping is niet herroepen. Hij staat nog in dienst van Gods Koninkrijk en zijn zeer oude mannengezicht leeft op als hij een psalm of een bijbeltekst hoort. Schrijven kan hij vanwege een bibberende hand niet meer en begrijpend lezen zit er niet meer in. Hij papegaait het woord en ergens daarin is nog mysterieus leven.
Het brood ligt nog onaangeroerd. De dominee is ingedut. Zijn handen gevouwen als in gebed. Wie weet, misschien is hij dat ook wel. Dan roept de Vader hem mee. Hij hoeft er niet voor op te staan. Als Evelien uit de keuken komt, wat afgewassen vaatwerk op het zitvlak van haar rollator, ziet ze hem ontzield zitten. Zijn handen gevouwen.
Dat was het dan, denkt ze. Weer een samenzijn opgeheven. Ze neemt het bordje brood mee terug naar de keuken. Met een mes schuift ze wat daarop ligt in de pedaalemmer. Ze loopt naar de telefoon naast waar haar man zit, neemt een klein spiegeltje dat daar ligt, fatsoeneert haar kapsel en belt haar dochter.
