Met trots presenteert Literair Tijdschrift Pardon een voorpublicatie van de derde roman van Hans Altena in een cyclus; ‘Zelfportret met Masker’, ‘Achter het Masker’ en in het najaar ‘Spiegelmasker’. De romans zijn met elkaar verbonden, maar zeker ook zelfstandig te lezen. Hans Altena heeft een achtergrond als zanger/liedschrijver en werkte in het onderwijs. Zijn bewogen leven komt in zijn schrijven terug, maar moet niet als autobiografisch gelezen worden. Het zijn zelfstandige literaire werken. Hans heeft een kenmerkend schrijfritme waar de lezer zich aan moet overgeven. Zelf redenerend vlieg je snel uit de bocht. Laat u meevoeren!
U kunt de roman hier bestellen.
Het was de eerste meidag vandaag. Die van de arbeid. Maar dacht het niet, wat mij betreft, ik geef me niet af met het slijk der aarde. Waarachtig, ik zoek het geestelijke. Dat ik het gevoel krijg mezelf dit tegenwoordig wijs te maken is een donkere nacht van de ziel hoop ik. Ik wacht het ochtendgloren, en niet alleen terwijl ik dit schrijf en onverstoorbaar naast me die krullenbol in het bed doorslaapt, een ware fee. De adem ontsnapt lispelend haar tere lippen als is ze net geboren.
Al een poosje gescheiden, dat is zij, en een stuk ouder dan ik, maar ik ben versleten.
We zijn er op mijn initiatief en haar kosten voor drie weken tussenuit geknepen, om te beginnen naar Sardinië. Het eiland van de ouderwetse struikrovers, waar Amber mij met mijn grijze haren die mijn leeftijd voor haar verdoezelen, argeloos op vindt lijken. Deze stad van het koraal hult zich in de herfstkleuren van goud en robijn, zo ben ik rijk hoewel platzak.
Verwijt ik me iets is het dat ik daar niet helemaal eerlijk over kan zijn naar Amber. Ze is meer waard, dat is wennen voor mij. Ik beloof voor de verandering geen gouden bergen. Zweer ik zoals gewoonlijk dat ik het geleende geld zal terugbetalen, meen ik het tegen beter weten in. Het steekt me dat zij dan tegenstribbelt, een deel zou genoeg zijn, want zij erfde van haar moeder wat centen. God verhoede dat ik die opmaak.
We zijn in de vroegte over de ellenlange stadsmuur gewandeld die aan de woeste zeezijde het middeleeuws aandoende Alghero bewaakt, waarvan de naam in het Catalaans naar het wier verwijst dat we roken. Er zwom groen wier in Ambers donkere, samengeknepen en zoals ik vandaag hoorde Indische ogen, toen ik haar de morgen van de eerste aprildag in de snijdende kou op station Groningen ontmoette en zij mij aansprak, ik tegennatuurlijk begon te stamelen. Ik voel me een verdronken Ophelia in haar bijzijn, ik zou er een moord voor plegen om haar bij me te houden, maar dit vereist dat ik het mes zet in eigen vlees. Er zijn offers die niet te brengen zijn, al zal Jezus anders beweren.
Die zat ons blijkbaar op de hielen.
Ik heb mondjesmaat wat verdiend met de verdomd onbetrouwbare voelsprieten die ik ongevraagd meen te bezitten voor de geestenwereld, waar goedgelovige zielen een zekerheid aan verlenen waar ik niet voor dorst in te staan. Nimmer kreeg ik deze voorspelde maar onvoorspelbare timmermanszoon op mijn radar. Je zou betwijfelen of hij deze aardbol ooit had bezocht of zou bezoeken, de leegte van Boeddha komt me namelijk regelmatig voor ogen. Voor de rest weer ik alle van zichzelf overtuigde fanatieke en militante religieuze poespas, dus van verschijningen op dat gebied blijf ik logischerwijs gevrijwaard. Maar die gekruisigde liefdesprofeet had ik wel een hang naar. Tevergeefs, tot hij me, wat Amber bestrijdt, hier in Alghero beet nam.
Amber en ik hadden geen stoel kunnen bemachtigen bij de cafés grenzend aan de straat over de stadsmuur, waren aan het einde ervan bij de zuidelijke, ronde donjon de binnenstad in gelopen om daar koffie te drinken. De stegen deden ons dit vergeten, we dwaalden van de ene naar de andere, tot we de steeg weervonden waarlangs we reeds waren gekomen op weg naar de stadsmuur.
Wat ons de eerste keer dat we er liepen had verbaasd, was dat een onooglijk gebouw, van grof zandsteen, een kerk bleek te zijn. De poort bestond uit twee bruinrode houten deuren. Op ieder daarvan in mozaïekvorm een blank kruis, met drie treden eronder, te midden van een visgraatmotief. Erboven, in een halve maan, een icoon, nog in de magische, onopgesmukte Byzantijnse stijl, opgedragen aan Santa Barbara las ik.
Mijn Catalaanse opvoeding van mijn Katholieke moeder, Elsa Belinfante, uit een in verval geraakt Sefardisch geslacht en weduwe van een trotskist die kennelijk zoveel praatjes had als ik en geëxecuteerd werd voor mijn geboorte, kwam me van pas. Ik had voor Amber wijsneuzerig opgehelderd waar sommige symbolen op de icoon naar verwezen. Santa Barbara hield een palmtak in de linkerhand, misschien geplukt van de sierlijk gekromde boom op de enigszins abstracte berg rechts van haar. Haar vader in Nicomedië had haar met een palmtak geranseld om haar van het christelijk geloof te brengen, aangezien dit faalde onthoofde hij haar. Daarvoor al had hij haar, om haar volstrekt overbodig te beschermen tegen vrijers, opgesloten in een toren, iel en scheef aan haar linkerzijde afgebeeld. Zij had bedongen dat deze minaret drie vensters zou hebben, om de Drie-enigheid te eren. Ik had me afgevraagd of de ascetische Barbara door de opsluiting hoog in dat geval met de ui op de top nader tot Jezus kwam. Die zei, wie zonder zonde is werpe de eerste steen. Amber had er geen oren naar gehad, de bewondering voor de icoon nam haar radicaal in beslag, Santa Barbara zo mooi, eenvoudig, sereen.
Nu we de kerk weer zagen waren de deuren open en dromden er Gregoriaans zingend gelovigen naar binnen. Amber trok me mee naar die kleine stoet, we werden meegezogen. Over de hoofden heen en tussen de lichamen door ontwaarden we het overvloedig met heiligen en engelen beschilderde, lichtende interieur, dat logenstrafte dat het zich in een povere blokkendoos bevond. Een koepelgewelf waarin het hemelsblauw overheerste, boog zich over de kunstig bewerkte houten iconostase, een soort kamerscherm dat over de hele breedte het heilige der heiligen verborg achter gordijnen en verluchte panelen. De ene ervoor opgestelde priester hield een verzilverde schaal met brood omhoog en deelde de hompen uit, een ander liet de gemeenteleden drinken van een met edelstenen ingelegde tinnen wijnbeker en veegde die telkens schoon met een servet. Ze psalmodieerden teksten, aan hun zijde diakens, met bungelend wierookvat of een kaars. Op statafels werd ondertussen meegebrachte zoetigheid uitgestald. Het vredige, het gelukzalige dat van de gelaten afstraalde, verstikte het me of kon ik de vertedering niet aan?
Mijn vader had door zijn ideologische en martiale gelazer de fascistische autoriteiten zo op de kast gejaagd dat het hem zijn leven kostte, terwijl zijn vrouw zwanger was. Nooit hield hij mij vast of sprak hij mij toe, hij infecteerde mij niettemin met zijn door mijn moeder beklaagde atheïsme, nog voor ik op zolder achter een los schot zijn dagboek vond. In die godsloochening kon ik dicht bij hem zijn… de wonderen zijn de wereld niet uit.
Ondanks deze afwijzing van religie en een opperwezen converseerde ik met vader in bed nadat moeders mij goedenacht had gezegd, bijvoorbeeld over dat bankroof een legitiem stelen van de rijken behelsde. Hij was zichtbaar als had ik zijn foto voor me, scheen een wetenschappelijk bewijsbaar fantoom. Daar is waarschijnlijk mijn gegoochel met geesten ontstaan, waardoor Amber mij spiritueel noemt, onwetend van mijn scepsis over de bron van mijn visioenen. Maar deze Eucharistieviering leek van een heel andere dimensie, buiten de wrede tijd, of simpelweg een verheerlijkt samenzijn van voor dat de geestdrijvers te vuur en te zwaard hun enige waarheid, van zwaarheid uit de hemel gevallen, er inhakten bij heidenen.
Ik fluisterde Amber, die aldoor mompelend herhaalde dat er zoveel liefde van uitging, in het oor dat het Grieks Pasen moest wezen. Toen omklemde zij mijn elleboog, verzuchtte, ‘gevierd op Sardinië, Pilar, en uitgerekend nu wij er zijn?’ Dit was een toeval dat haar naar de keel greep. Haar boezemvriendin, acht jaar geleden overleden, zou dit zo bijzonder hebben gevonden. Die had een huis op Lesbos, Griekenland was haar alles. Ze vroeg zich af, zond Maria haar een teken hiermee?
Even was ik bang dat ze de moeder van Jezus bedoelde, ineens aan een aanval van vroomheid leed, maar toen ze uitlegde dat die innige vriendin zo heette, werd het me vreemd te moede, alsof ik naakt zwom in troebel water en een grote vis kil onderlangs me streek.
Ik gooide het erop dat het mij allemaal te na op de huid kwam, Amber en ik waren niet voor de eeuwigheid voorbestemd. Dat moest ik mezelf wat nadrukkelijker inprenten dan bij haar voorgangsters, maar hadden wij volgens mij elkaar stilzwijgend laten merken. Deze reis een buitenkans om haar bestofte huwelijksketens af te schudden. Dit gunde ik haar, ik genoot van haar sprankelende aanwezigheid, druppels op mijn gloeiende plaat, ze mocht niet verschroeien.

I Pascha in Alghero
De boeken van Hans Altena dwingen mij tot volledige aandacht en zorgvuldig, langzaam lezen. Dan kom ik iedere keer in de greep van deze schrijver. Hij trekt je zijn verhaal met haar herkenbare elementen binnen.
Ik kijk dus uit naar het einde van dit jaar, dan komt het boek uit en heb ik zijn totale oeuvre.
Raak, en dank!
Weer geweldig om te lezen… Echt Hansiaans, met een heerlijk tempo. Ik ken Hans een beetje en het komt daardoor echt dichtbij. Ik kijk uit naar de laatste in zijn trilogie. Hij is boeiend….
Probeer het nog eens, ben blij met je reactie, en hoop dat we nog eens achter een goed glas bier elkaar spreken, en niet alleen over mijn boeken! Hartelijke groet!