De redactie van Literair Tijdschrift Pardon presenteert, met trots, het tweede verhaal dat Pieter Drift ons aanbood. Pieter Drift is afgestudeerd (etsen en tekenen) aan de kunstacademie in Rotterdam en woont in Arnhem. Pieter publiceerde onder andere eerder in Hollands Maandblad, Papieren Helden, Hard//hoofd, Elders Literair, Ballustrada, De Optimist en in Literair Tijdschrift-Pardon. Zijn werk is te vinden op http://pieterdrift.nl/. Sinds 2012 vormt hij een kunstenaarsduo met Willem Jakobs. Hun werk is te vinden op http://www.jakobsdrift.nl.
Zijn blaas stond op knappen. Op de tast deed Dion de wc-deur open en trok direct zijn rits naar beneden. Op het moment dat hij wilde plassen, zag hij de rug van een jongen die met zijn kop in de pot hing. Even probeerde Dion af te knijpen maar de straal was niet meer te stoppen. Bruusk duwde hij de jongen opzij. Het lichaam viel naast de wc met gezicht naar boven, overal bloed. Zijn straal draaide als een losgeslagen tuinslang. De laatste druppels gingen richting het toilet. Zijn schoenen en de onderkant van broek waren geraakt. De linkerarm van de jongen was kleddernat. Dion boog naar de jongen toe en probeerde te luisteren. De muziek in het café stond te hard. Het beeld kwam niet tot stilstand. Hij draaide zich om en liep de wc uit. Zijn handen wreef hij over zijn broek en liep naar het tafeltje waar zijn vrienden zaten.
‘Gelukt?’ grapte Berend.
Hij zweeg, met zijn hand kneep hij in zijn maag. Even bleef hij staan en zei dat hij zich niet zo lekker voelde. Uit zijn zak haalde hij een tientje, legde het op tafel en deed al een stap naar de uitgang. Meestal bleven Berend en Dion met z’n tweeën over. Voor het archief van hun vriendschap, zoals ze het noemden. Door alles te herkauwen, was een avond pas echt gebeurd.
Een paar maanden geleden waren ze nog van kroeg gewisseld omdat de nieuwe eigenaar na de laatste ronde direct de tl-buizen had aangedaan en de stoelen op tafels was gaan zetten. Tergend langzaam hadden ze hun bier opgedronken. De eigenaar had naast de toog gestaan en geprobeerd hen weg te kijken. Bij gebrek aan concentratie hadden ze een goed gesprek geveinsd. Tot het de eigenaar te gortig was geworden: ‘Jongens, hoogste tijd!’
Berend had verbaasd op de klok gekeken en gezegd: ‘Goh, is het al zo laat?’ Ze hadden hun jas aangetrokken en naar buiten gegaan. Daar besloten ze dit nog een paar maal te herhalen om de eigenaar een beetje te zieken, maar ze merkten al snel dat het de eigenaar niet interesseerde. De man had besloten om er een eetcafé van te maken en daar hoorden de stamgasten niet meer bij.
‘Als je even wacht, ga ik met je mee,’ zei Berend, ‘Even opdrinken en eruit pissen.’ Het glas ging naar de lippen. Dion wuifde het weg maar Berend lette niet op hem en dronk zijn glas in een keer leeg.
‘Zij die gaan drinken, groeten u,’ hoorde hij Gerard zeggen. Berend zette zijn glas met een klap neer en schoof zijn stoel naar achteren.
‘Zij die gaan groeten, drinken u.’ Nadat ook Berend de tafel verlaten had, sloot de kring zich aan de tafel alsof ze er nooit gezeten hadden. Met iets te harde stem oreerde Gerard verder. Dion luisterde niet. Hij sloot zijn ogen en wachtte op wat komen ging.
Een hand raakte zijn schouder. Hij opende zijn ogen en zag het verschrikte gezicht van Berend.
‘Heb ik niet gedaan,’ fluisterde Dion.
‘Jezus Dion,’ zei Berend. Hij liep direct naar de bar en boog over de toog. De barman sloeg zijn handdoek over zijn schouder en liep samen met Berend naar de wc. Met de telefoon aan zijn oor kwam de barman terug. Niemand had gehoord wat er aan de hand was, maar het ritme van het personeel veranderde. Berend wilde naar Dion toelopen maar werd bij de mouw gepakt. Ze vroegen aan Berend wat er was. Dion wilde het liefst verdwijnen, maar durfde niet meer. Hij knoopte zijn jas los en pakte een stoel die hij met de leuning tegen de tafel zette. Met zijn rug naar de rest ging hij zitten. Zijn blik gericht op de wc. Een aantal mensen ging naar binnen. Dion zocht de barman maar vond hem niet. Achter de bar stond nu een meisje met lang blond haar. Ze sprak met een drietal mannen. Alles draaide. Dion sloot zijn ogen en wachtte. De stem van Berend maakte hem wakker.
‘Hij is dood, wist je dat?’ De stem van Berend klonk anders. Een verontrustend geluid.
‘Kende jij die jongen?’
Dion schudde zijn hoofd. De deur ging open. Hulpverleners kwamen binnen en liepen direct door naar het toilet. Als laatste kwam de wijkagent. Berend sprak even met hem en liep mee.
‘Hé Dion,’ hoorde hij Gerard zeggen, ‘Lag die jongen er net ook al niet?’ Hij durfde niet omhoog te kijken. Hij zag zijn schoenen vlak voor hem staan. De schoenen van Gerard verdwenen weer. Dion keek op en zag Berend met de agent naar hem toe lopen. Zijn lichaam verkrampte.
‘Ik hoorde dat u hem gevonden hebt. Kende u de jongeman?’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Ik weet wel wie het is. Hij kwam hier vroeger vaak,’ zei de barman. ‘Hij heette Karel van de Loo.’ Dion begon te grinniken.
‘Ik begrijp niet wat er te lachen valt meneer,’ hoorde hij de agent zeggen.
De alcohol suisde door zijn hoofd. Alles leek te lang te duren. De lachstuip ebde weg. Toen hij weer voor zich keek waren ze doorgelopen. Dion had een stuk gemist. Kerel van The Loo. Een harde lach kwam uit zijn mond. Eentje die hij niet kon afbreken. In het geluid dat uit zijn keel kwam herkende hij zichzelf niet meer. Hij zag Berend in versnelde pas op hem af komen. Pas toen Berend zijn armen om hem heen sloeg, voelde hij alles weer vertragen.
‘Waarom had je niks gezegd?’
Door niets te zeggen had hij gehoopt dat het nooit gebeurd was, maar Dion wist dat het belachelijk zou klinken. Berend wreef alleen over zijn rug en suste onverstaanbare woordjes. Soms dacht Dion dat hij Gerard ‘Niks aan de hand, niks aan de hand’ hoorde zeggen.. Het sussen hielp niet. Dion wist dat hij door de mand was gevallen en nooit meer zou kunnen terugkrabbelen. Berend zag nu zijn ware gezicht. Alles was voorbij. Dion keek om zich heen. Alles draaide, maar toch leek iedereen stil te staan.
