De schikgodinnen (Moirai), een Heremiet zoals in Tarot en Stendhal; wat heeft het met elkaar te maken? De schoonheid die Karlijn van Bree ons te bieden heeft terwijl ze tegelijkertijd onze verbeelding weet te prikkelen. Karlijn van Bree is classica en diplomaat. Vanuit een liefde voor esthetiek, kunst, klassieke muziek en kleur schrijft zij gedichten, verhalen en essays. In haar werk verbindt ze de rijke wereld van de oudheid met de zintuiglijke werkelijkheid van het heden.
Wij zijn weer terug! Iets minder gehaast dan eerder. We streven niet meer naar elke dag iets nieuws. Van gewoon goed mag u best langer genieten. Neem de tijd, ‘blader’ terug. Er is best veel goeds op de site te vinden. Ook van Karlijn.
M O I R A I
∞
Soms dwalen mijn gedachten
af en zit ik waar zij zitten.
Geen namen meer,
alleen draden,
dun,
onschuldig van kleur,
traag gesponnen,
gespannen.
Ik zou ze niet woedend breken,
eerder aandachtig,
met een ijle schaar,
zoals men het mooiste haar knipt
of de groenste thee,
lok voor lok,
blad voor blad,
op het juiste moment.
Hier een leven
dat zich moedig
vastklampt.
Daar een ander
dat al los hangt,
maar niet durft.
Ik proef de macht
in het aarzelmoment:
dit nog laten spinnen,
dan nu de knip?
Misschien is dit mijn verlangen:
niet om te sterven,
niet om te doden,
maar om eindelijk
oneindig te zijn,
degene die beslist.
H E R E M I E T
∞
Uit een denkbeeldig kaartendeck
trek ik de Heremiet:
een sober leven bij kaarslicht,
orpiment in de schemering,
kalligrafie, miniaturen,
Griekse verzen.
Mijn kloosterkamer ruikt
naar muskus en antieke boeken.
Langzaam wordt ook mijn huid
dun en droog als perkament.
Ik verlang naar de marge:
hoe ik daar met weinig,
elke dag een beetje meer
in zou verdwijnen.
Tevreden en vooral ongestoord.
Toch blijft mijn hand rusten
op de stapel. Ik herschik de waaier:
de pianist die Liszts Liebesträume droomt,
de egyptoloog met scarabees en amuletten,
de diplomaat met een koffer vol geheimen;
een carrousel
van wie ik had kunnen zijn.
Maar deze kaart,
uit welke hand
kwam hij
in de mijne?
S TE N D H A L
∞
Een kale twijg, in de zoutmijn verzonken,
en de diamanten kwamen,
duizend kristallen die zich hechtten
tot het hout een kroon werd,
een reliekhouder voor wie gelooft.
Je kwam binnen,
zei iets alledaags
en ik begon te delven
tot jij opdook in saffier.
Ik hing granaatappels aan je zwijgen,
liet wierook smeulen tussen je ijdele gebaren
tot de kamer rook naar iets gewijds,
een mist waarin ik niet meer zag
wie waar begon of ophield.
En als de twijfel kwam,
zwart en zuiver als een druppel inkt,
liet ik je afdalen
om je onbevlekt en fonkelend
omhoog te halen.
Zo brak het licht in scherven
tot elke breuk een venster werd,
een gebrandschilderd raam van jou,
even heilig als gebroken.
