Niets weggeven maar wel iets over de tekst opmerken; dat is niet eenvoudig. Goed geschreven? Ja. Is dat het enige criterium? Niet helemaal. Er is iets met de tekst waardoor wij het plaatsen een daad van verzet tegen het conventioneel literaire verwachtingspatroon vinden. Moet kunnen maar mag geen precedent zijn voor minder goed geschreven teksten in dit genre zijn. Leest u maar. U begrijpt de inleiding straks wel. Wij vinden het een interessante tekst.
Marco Knijnenburg woont en werkt in Den Haag. Hij schrijft scenario’s en verhalen. Zijn schoonfamilie komt uit Walcheren en omdat Pardon u vanuit Vlissingen gepresenteerd wordt leek het Marco aardig om ons dit verhaal aan te bieden. Veel leesplezier gewenst!
Haar woonkamer is een soort verlengstuk van de kroeg waar we elkaar hebben ontmoet; versleten meubilair, posters van overleden muzikanten en wijnflessen met druipkaarsen. Ze komt de kamer binnen met een fles rode Port en twee IKEA glazen. Ik sta in het midden van de kamer en kijk naar de muur waar posters van muzikanten als behang tegenaan zijn geplakt. Ze heeft goede smaak want ik herken meteen iconen als Kurt Cobain, Jim Morrison en Amy Winehouse. Maar er hangen er nog meer aan de andere kant. Jimi Hendrix en Janis Joplin bijvoorbeeld. Ze zijn allemaal op hun 27e overleden op het toppunt van hun roem.
Ze zet de fles en de glazen op een hutkoffer die als salontafel fungeert en vult de glazen. Ze heeft in de gauwigheid versleten pantoffels aangetrokken die vermoedelijk twee kleine tijgers zonder ogen voorstellen.
‘Zie je het verband tussen de posters?’ zegt ze achteloos terwijl ze mij een glas geeft.
Ik bekijk ze nog een paar tellen. Basquiat hangt er ook tussen, dus ik zeg: ‘Kunstzinnige genieën?’ en bedenk dat mijn antwoord helemaal zo gek nog niet is, maar toch schudt ze haar hoofd alsof ik niets van de wereld begrijp.
‘Ze zijn allemaal op hun 27e doodgegaan,’ zegt ze, terwijl ze haar glas pakt. Dat dacht ik zo’n tiental tellen geleden nog, maar ik besluit me van de domme te houden. Mensen vinden het fijn om slim over te komen. Ze gaat op een versleten bank zitten en trekt haar benen op.
‘Hoe oud ben je?’ vraag ik, terwijl ik belangstelling veins en de kamer in mij opneem. Het is een enorme bende en in de hoek staat een dode bananenplant. Waarschijnlijk komt al die rotzooi van rommelmarkten en kringloopwinkels. Bovendien ruikt het hier naar een weeïge wasmand met zweterige kleding van drie weken. Voor mij is er alleen nog plek op een fauteuil waar ogenschijnlijk iemand recentelijk overheen heeft gekotst, er ligt gedeeltelijk een grand foulard overheen, maar ook die zit onder de vlekken en brandgaten. Ze heeft ergens een aansteker gevonden waarmee ze de twee druipkaarsen op de hutkoffer aansteekt. Het heeft nauwelijks effect op de lichtopbrengst. Ons samenzijn zal sfeervol en gezellig zijn.
‘27,’ zegt ze en pakt haar glas en ik pak het mijne. ‘En jij?’ ‘Een jaar of 30,’ zeg ik.
‘Op ons,’ vervolg ik en hou mijn glas omhoog en neem een slok. Zij doet hetzelfde. De oogloze tijgers aan haar voeten hebben geen gelaatsuitdrukking meer, maar ik denk wel dat ze lekker warm zijn.
‘Hoe heet je ook alweer? Ik ben slecht in namen,’ zegt ze terwijl ze zo’n zelf gedraaide filtersigaret uit een metalen pakje haalt en aansteekt.
‘Ik ben slecht in rekenen. Ik kan niet eens een staartdeling maken,’ zeg ik om haar gerust te stellen.
‘Weet je eigenlijk wel hoe ik heet?’ zegt ze en blaast de rook uit.
‘Volgens mij iets met een B of een S,’ zeg ik als een waarzegger.
‘Nee. Iets met een P en een I,’ zegt ze. Ze is in geen enkel opzicht aantrekkelijk, ook niet in dit sfeervolle licht.
‘Maar hoe heet je?’ vraagt ze en blaast de rook uit.
‘Wingerd.’
‘Wat is dat nou voor een naam?’
‘Het is net zoiets als Multatuli… of Nescio…’
Ze inhaleert nog een keer.
‘Of Basquiat,’ zeg ik om duidelijk te maken dat ik niet van de straat ben.
‘Hij stierf ook op zijn 27e… Overdosis. Jimi Hendrix ook en die stikte in zijn eigen kots,’ zegt ze en etaleert zo tegelijkertijd haar zogenaamde onverschilligheid en haar bizarre fascinatie. We nemen een paar slokken Port. Het blijft even stil.
‘Maar waar slaat Wingerd op, Wingerd?’ zegt ze en ze zet de TV aan met de afstandsbediening. Hij staat op een Amerikaans True Crime programma of zoiets.
‘Het is een klimopplant. Die stond vroeger bij ons in de tuin tegen de schuur en mijn moeder vond het een mooie naam. Mijn zus heet Dahlia. Die stonden ook in onze tuin.’
Ik steek een Camel filter op en kijk nog maar eens op mijn gemak rond. Het is op de keper beschouwd een ruime, charmante woonkamer van rond de vorige eeuwwisseling, ondanks de puinhoop en de uitgewoonde meubelen. Er zitten barsten in het plafond.
‘Het is wel de bedoeling dat je me zo een flinke beurt geeft, Wingerd,’ zegt ze, terwijl ze tegen het as aan het uiteinde van haar sigaret blaast.
‘Uiteraard, ik zit hier niet voor de lol,’ zeg ik. ‘En wat doe je?’ vraag ik zonder enige echte interesse.
‘Kinderopvang.’
Ik knik.
‘En jij?’
‘Salarisadministratie bij een middelgroot accountancykantoor.’
‘Klinkt saai.’
‘Dat is het ook, maar de tram rijdt binnen een kwartier van deur tot deur. Dus dat is ook wat waard.’
We drinken en roken een tijdje zwijgend. Dan wordt het haar te ongemakkelijk. Ze staat op en loopt naar het tv-meubel. Ze pakt een cd van een stapeltje en legt hem in een oude Sony Discman die op een Onkyo versterker is aangesloten. Alles is oud hier. Ze zet het geluid van de TV uit en al snel komen The Queens of the Stone Age de kamer binnen stormen via de luidsprekers. De muziek is goed, maar past niet bij de romantische sfeer die ik voor ogen had voor vanavond. Ik zou Tom Waits hebben opgezet. Maar ik draai bijna alleen maar Tom Waits, het past bij elke situatie. Ze sjokt terug naar haar plek en gaat op haar onderbeen zitten. We nemen nog een slok en doen alsof we naar de muziek luisteren.
Dan draait ze de gloeilamp uit een staande lamp naast haar die niet aan staat. Ze houdt de lamp demonstratief omhoog alsof ze gaat goochelen. Dan neemt ze een hap van de lamp en ik hoor ondanks de muziek het dunne glas in haar mond kraken. Ze neemt nog een hap en kauwt alsof het een merengue is terwijl ze naar het plafond kijkt. Ik schenk de glazen bij met de goedkope port en kijk naar haar terwijl ze de lamp opeet. Deze gebeurtenis schreeuwt om een nummer van Tom Waits. Geen idee hoe laat het is. Misschien iets na tweeën, want dan sluit De Paap en ze woont vlakbij. Ik sla een flinke slok port achterover.
‘Waarom doe je dat?’
Ze antwoordt met volle mond waar wat stukjes glas uit vallen. ‘Omdat ik het kan.’
Ze neemt nog een hap en kijkt naar het plafond.
’Als iedereen dingen gaat doen om het simpele feit dat het kan, dan is het einde zoek,’ zeg ik. Soms moet je streng zijn. Alleen de fitting is overgebleven die ze fanatiek kauwend op de hutkoffer legt.
‘Eet je die niet op?’
Ze spoelt stukjes glas weg met de waardeloze port en schudt van niet. ‘Ik ben geen freak.’
‘Zijn er nog meer dingen die je alleen maar doet omdat het kan?’
Ze neemt nog een slok en gorgelt het laatste dunne glas weg gevolgd door een trekje van haar zelfgemaakte sigaret. Ze blaast krachtig de rook uit en krabbelt achter haar oor.
‘Vroeger deed ik aan automutilatie.’
‘Waarom ben je ermee gestopt?’
Ik vraag me af of ze mij sinds ik hier ben een seconde heeft aangekeken.
‘Het levert heel weinig op.’
‘Ik vind dat iedereen het recht heeft zichzelf leed aan te doen,’ zeg ik. Soms moet je het touw laten vieren. Mijn oog valt op iets op de grond naast de hutkoffer dat ik door het beperkte licht niet heb kunnen identificeren. Ik pak het op. Het is een groene, flink gehavende dildo.
‘Wat is dit?’
Ze blaast bedreven cirkeltjes rook uit.
‘Een dildo.’
Ik bestudeer de dildo.
‘Een treffende gelijkenis, als je het mij vraagt. Maar dan in een rare onnatuurlijke kleur.’
‘Blondie, de hond van de buren, speelt er steeds mee. Ik pas soms op hem.’
‘De hond van Hitler heette ook Blondi.’
‘Hij is van mijn moeder, ze legt ze altijd op haar nachtkastje en dan pakt Blondie
ze. Ze liggen door het hele huis.’
Ze gaat op haar knieën voor de bank zitten en veegt met haar arm onder de bank en vindt een nog grotere.
‘Woon je nog bij je moeder?’ zeg ik. Ze is immers 27.
Ze kruipt weer op de bank en gooit de huidkleurige staaf naar mij. Ik vang hem niet en laat hem vallen. Ik raap de neppenis op.
‘Kijk, dat is een vibrator… Werkt op batterijen,’ zegt ze.
‘En wat is dit?’ ik wijs naar een rare uitstulping aan de onderkant van de kunstpielemoos.
‘Weet niet hoe je dat noemt, maar dat is om de clitoris te stimuleren.’
‘Ach… Daar heb ik over gelezen,’ ik knik een paar keer tevreden en kijk naar de beschadigde vibrator en de versleten dildo in mijn handen.
‘En die Blondie, hè… Is dat een reutje of een teefje?’
‘Een mannetje. Een Golden Retriever.’
‘Vandaar dat hij al die kunstpikken zoekt en terugbrengt. In verband met het ras.’
‘Zal wel… Ben je een beetje handig?’
Even later sta ik met een draaiende boormachine in mijn handen twee gaten in de keukenmuur te boren. Ze kijkt toe, terwijl ze port drinkt en Katjang Pedis eet. Ik leg de boormachine op het aanrecht en pak twee plugjes uit een plastic zakje dat meegeleverd werd door IKEA die ik in de gaten prop. Ik vervang het boortje voor een kruiskopbitje als de deurbel gaat. Ze sloft weg. Ik pak het kruidenrekje waar het allemaal om te doen is en schroef hem vast met de machine. Ik zak door m’n knieën om op ooghoogte ten opzichte van het kruidenrekje te komen en stel tevreden vast dat hij maar een klein beetje scheef hangt. Het zal geen invloed op de kruidenpotjes hebben is mijn inschatting. Ik loop naar de voordeur waar een ruzie gaande lijkt te zijn. Het blijkt een boze kale kleine man te zijn. Hij draagt een hemelblauwe duster, ongeveer dezelfde als mijn moeder vroeger droeg toen ik op de lagere school zat.
‘Weet je godverdomme wel hoe laat het is?’ De man is een opgewonden standje met opgewonden blosjes op zijn wangen. Ze kijkt op haar Swatch.
‘Tien over drie.’
‘Doe nou godverdomme niet zo bijdehand. Beetje staan boren midden in de nacht.’
De man in de duster heeft mij nog niet opgemerkt, dus ik besluit me in het gesprek te mengen. ‘Zo, het kruidenrekje hangt. Ze leveren altijd prima spul, die Zweden. Valt er verder nog wat te klussen?’
‘Dit is de buurman,’ zegt ze.
‘Bent u van die hond?’ vraag ik aan de duster.
‘Nee, deze dikzak woont boven ons,’ zegt ze. De buurman in de duster staat er een beetje ongemakkelijk bij en wil weer iets opgefokts zeggen, maar er schiet hem niets te binnen.
‘Ja. Dikzak is inderdaad een subjectief begrip Sjors, die discussie hebben we al een keer gehad,’ zegt ze geïrriteerd, terwijl ze de buurman aanstaart.
‘Want dat is een bijzonder beest, als je het mij vraagt,’ zeg ik om het onderwerp te veranderen.
‘Ik lig wakker van dat geboor, jongens! Wat kan mij die kuthond schelen?’
‘Het is inderdaad een vervelend geluid,’ zeg ik om de boel te de-escaleren.
‘Ga jij nou godverdomme ook een beetje bijdehand doen?’
‘Absoluut niet, buurman,’ zeg ik verontschuldigend met mijn vlakke handen defensief omhoog. De buurman wijst me dreigend aan en hyperventileert een beetje.
‘Het is dat ik… Het is dat ik COPD heb… Anders had ik je allang op je bek geslagen.’
Hij trekt het koord van zijn duster nog maar wat strakker om zijn woorden kracht bij te zetten en stapt zo kordaat mogelijk de trap op naar de bovenetage. Hij draagt gele badslippers met reclame van Sunweb erop gedrukt. Ze sluit de deur en we lopen terug naar de keuken.
‘Het rekje hangt scheef, sukkel,’ zegt ze, terwijl ze de frituurpan aanzet.
‘Het is lastig werken met dit licht,’ zeg ik.
‘Volgens mij ben je gewoon een sukkel,’ zegt ze en pakt een van de vele doosjes vlammetjes uit het vriesvak. Ze negeert me, maar ik voel geen enkel schuldgevoel over het scheve kruidenrekje. Sommige mensen kunnen nu eenmaal niet goed omgaan met teleurstellingen.
‘Zo, tijd om ‘s op huis aan te gaan,’ zeg ik vrolijk en sla mijn handen ineen.
‘Je zou me toch een beurt geven?’ zegt ze zonder een spoortje van ironie.
‘Toen waren we nog vriendschappelijk, maar toen was er nog geen sprake van het incident met het kruidenrekje,’ zeg ik vriendelijk.
Ze draait naar me toe, doet uitdagend haar armen over elkaar en kijkt me strak aan. Ik stap naar haar toe en sla mijn armen om haar heen, ze stribbelt tegen, maar als ik haar halsslagader openscheur met mijn tanden zucht ze alleen maar. Ik zuig het bloed uit haar en begeleid haar lichaam naar het keukenzeil waar ik gulzig verder ga met de aderlating. Na een tijdje ademt ze niet meer en pompt haar hart geen bloed meer door haar lichaam. Het smaakt zoetig, waarschijnlijk door de port. Lekkerder dan ik dacht. Het bloed stijgt naar mijn hoofd en ik ben volkomen ontspannen. Ik voel me fantastisch.
Ik douche in de aftandse badkamer, of eigenlijk een kast met een douche en was mijn bloederige gezicht zorgvuldig met de Palmolive shampoo. Mijn kleding is altijd zwart dus het bloed is nauwelijks zichtbaar, maar toch spoel ik mijn broek en trui uit met de shampoo met de handdouchekop. Helaas heeft ze geen wasdroger, want dan had ik mijn kleding nog even in de droger kunnen laten draaien. Naakt hang ik mijn kleding over de gaskachel en frituur de vlammetjes. Er staat zelfs zoete chilisaus in de koelkast. Daarna loop ik naar het tv-meubel. Ik zoek tussen de stapeltjes cd’s en speel Pablo Honey van Radiohead af op de Discman. Tijdje niet gehoord. Ik zet de TV aan zonder geluid en blijf hangen op een kanaal met ondertiteling. Ik eet op mijn gemak de vlammetjes met de saus en mors wat op mijn naakte onderlichaam. Als de cd is afgelopen en ik nog een halve fles port heb opgedronken, trek ik mijn kleren aan die nog steeds vochtig zijn, maar dat is niet onoverkomelijk. Ik bekijk de cd-verzameling nog een keer en confisqueer een paar cd’s die ik zelf nog niet heb, maar waar ik wel benieuwd naar ben. Dan trek ik mijn jas aan en kijk nog even in de perfect uitgelichte keuken waar ze in een enorme plas bloed ligt, alsof ze slaapt. Ik controleer of het kruidenrekje stevig vastzit en trek de stekker uit de stinkende frituurpan. Dan vertrek ik en sluit de deur achter me. Misschien thuis nog even een serietje bingen. Ik voel me fantastisch. Een superieur mensenkind.
