Vandaag, zover wij weten, na Maria Withoud, een tweede stadsdichter emeritus. En wel de geboren Vlissinger Karel Leeftink (1958). Geen stadsdichter van Vlissingen, u weet wel, de stad van Bellamy. Alweer een goede tien jaar geleden was deze, inmiddels ook als Zeeuws Staatsbosbeheer boswachter bekend staande gepensioneerd woordvoerder stadsdichter van Middelburg. U kunt zijn werk nog aan de gevel bewonderen. Tegenwoordig woont hij in Portugal maar internet kent geen grenzen. Wij presenteren; Karel Leeftink.
De vijand had zich de laatste weken niet erg geliefd gemaakt. Nu is dat wel vaker het lot van de vijand, maar deze maakte het wel erg bont. Nadat de vijandelijke strijdkrachten het land een dikke twee maanden geleden na een korte, maar hevige strijd bezet hadden, pelotons na pelotons soldaten met veel poeha en tamtam de hoofdstad waren binnen getrokken en binnen een aantal dagen alle burgemeesters, wethouders, ministers en volksvertegenwoordigers door meelopers, landverraders, marionetten en stromannen waren vervangen, stortten zij zich op het plunderen van het land. Fabrieken, scholen, musea, gemeentehuizen, loodsen, schuren en overheidskantoren werden zorgvuldig leeggehaald; de overvloedige buit op grote trucks geladen, in treinen gestouwd en met speciaal voor dat doel ingevlogen vliegtuigen gepropt, om daarna enkele reis afgevoerd te worden.
Maar het ergste moest nog komen: de afgelopen weken werd het hele land afgestroopt naar voorraden wijn, bier en sterke drank. Geen fles, geen vat, geen krat was veilig. Medewerkers van slijterijen en brouwerijen, wijnhandelaars, korenbranders en jeneverstokers werden gedwongen het gerstenat en de spiritualiën in gereed staande legervoertuigen te laden, die zoals ooggetuigen meldden, linea recta richting de kazernes reden.
Het resultaat mag er zijn: de afgelopen dagen werden de straten steeds vaker het toneel van uitgelaten, aangeschoten en stomdronken vijandelijke soldaten, die brullend en bulderend, dan weer giechelend, grinnikend en proestend struikelend en stommelend de kazernes verlieten en zwaar bewapend schunnige liedjes galmend door de wijken trokken.
Het verzet, dat zich al in de eerste dagen van de bezetting gevormd had, wist niet goed hierop te reageren. De verwachting was tegenover een gedisciplineerd en meedogenloos leger te staan, dat wellicht met bomaanslagen, hinderlagen, overvallen en ontvoeringen enigszins te ontregelen was en een langdurige strijd te moeten voeren die van beide kanten ongenadig en bikkelhard zou zijn en bij tijd en wijle tot ongekende wreedheden zou leiden en vele dodelijke slachtoffers zou eisen.
Maar om het nu tegen een bende losgeslagen, op hun benen tollende, door de straten zwalkende dronkenlappen en zuipschuiten op te nemen? Weliswaar zou dat de zaak enigszins vergemakkelijken, maar veel roem en aanzien bij de plaatselijke bevolking zou dat niet opleveren. En laten we wel zijn: natuurlijk hadden het verdrijven van de vijand en het bevrijden van het land eerste prioriteit, maar bijna net zo belangrijk waren toch het prestige en de eer van de dames en heren verzetsstrijders? En die konden toch alleen maar letterlijk bevochten worden? Kortom, het gedrag van de bezettingsmacht zorgde voor onrust, verwarring en veel discussie, niet alleen binnen de leiding van het verzet, maar met name ook bij de ondergrondse in de steden, dorpen, in de bossen en bergen. Vrijwel niemand van hen had veel zin om her en der willekeurig bloedbaden aan te richten onder zwaar beschonken, laveloze, weliswaar geüniformeerde en bewapende, maar niettemin argeloze drinkebroers en zatlappen. Dergelijke gewetenloze, vooral ook laffe en eerloze daden zouden immers wel es een averechts effect kunnen hebben op het algemeen gevoelen en kunnen leiden tot een verlies aan steun en respect bij de plaatselijke bevolking, zo werd verondersteld. Ook bij vriendelijk gezinde, buitenlandse mogendheden zou dit tot verontwaardiging kunnen leiden en mogelijk zelfs stopzetting van wapenzendingen ten gevolge hebben.
Even werd overwogen het vijandelijke opperbevel te informeren over het volstrekt onacceptabele gedrag van zijn manschappen en het te verzoeken de krijgstucht onder hen te herstellen, maar dit werd uiteindelijk als te bevoogdend bevonden: dit behoort tot de verantwoordelijkheid van de vijand zelf, per slot!
Na rijp beraad, werd besloten een paar weken te wachten totdat de drankvoorraden uitgeput waren, de soldaten weer nuchter en het vijandelijke leger weer op volle oorlogssterkte was, zodat er een geduchte tegenstander zou staan met wie de strijd in volle omgang hervat zou kunnen worden.
Het waren sowieso prachtige zonnige zomerdagen en een beetje uitrusten, bijkomen en chillen zou ook het verzet goed uitkomen, werd terecht geconcludeerd. Het bier was weliswaar door de vijand geconfisqueerd, maar een glas aanmaaklimonade met een sprits in kelders, hooimijten, achterhuizen en andere schuilplaatsen was een aanvaardbaar alternatief, meende men.
