Vanuit New York, over tegenkomen in New York. Emile Clemens bezocht New York meerdere keren met betrekking tot zijn jazz-activiteiten. De redactie van Pardon verblijft op dit moment dichtbij waar zich onderstaande gebeurtenis afspeelde. De opmerkingen over de stad vinden wij overigens treffend.
Huishoudelijke mededeling. Onderstaande tekst heeft een eenvoudige opmaak die makkelijk op een mobiele telefoon is over te zetten. Onze laptop geeft hier kuren dus gedichten en teksten die wat meer van onze redactietalenten vragen bewaren wij even voor als wij deze weer netjes kunnen plaatsen.
New York maakte helemaal niet de overweldigende indruk op mij die ik verwacht had. Dat kwam waarschijnlijk doordat ik in een stad geboren ben waar ik gewend raakte aan druk doorgaand verkeer en turbulente windvlagen die over straathoeken en kale pleinen heersen. New York heeft alleen meer van alles.
We waren daar om een paar jazzmuzikanten te ontmoeten die we hadden leren kennen tijdens de concerten die we hadden georganiseerd – Joe Fonda, Sheila Jordan, Cameron Brown, Gebhard Ullman.
Die avond speelde Cameron met zijn kwartet in Cornelia Streetcafé. Hij had beloofd om ook Sheila uit te nodigen en Dave en aan de telefoon had hij gezegd dat onder zijn vrienden al rondverteld werd dat er twee producers uit Europa kwamen om contacten te leggen en dat we er ons mochten aanverwachten dat een aantal would-be sterren aan onze mouw zou komen trekken. Alsof wij ook maar iets betekenden.
We hadden met een stevige Irish beef geluncht in een Iers restaurant dat een kopie leek van een bekende brasserie naast de beurs in Brussel en kuierden over Fifth Avenue naar Central Park om bij het Stawberry Fields memorial een groet te brengen aan John Lennon.
In de buurt van de Trump Tower waar de wind vol in het gezicht blies, zag ik haar naar de zwarte Lincoln stappen.
Ze draaide zich nog even om en riep iets naar iemand die ik niet kon zien. Ik moest kiezen: op haar toelopen om iets onbetekenends te zeggen of een paar foto’s nemen. Ik koos voor het laatste. De twee heren in kostuum die bij haar waren, zouden mij toch tegenhouden en met een foto kon ik thuis indruk maken.
De tekst van ‘I say a little prayer for you’ ken ik nog altijd uit het hoofd. Een vrouw had hem ooit in mijn hart gebeiteld. De vrouw was weg maar het lied zat er nog.
Ik drukte een paar keer af tot ze de auto was ingestapt en de Lincoln het verkeer in schoof.
“Mijn dag is helemaal geslaagd,” zei ik tegen mijn kompaan. “Heb je haar herkend? Ze is wel zwaar geworden.”
“Was dat Oprah? Oprah Winfrey?”
“Komaan zeg. Dat was Aretha Franklin.”
Een paar dagen later lieten we de jazzmuzikanten en hun droom om in Europa faam te verwerven achter ons. Op de luchthaven nam ik een taxi naar huis. Mijn schoonzus was op bezoek met haar twee dochters. Ze zaten op het terras rond taart en koffie de gebeurtenissen van de week te bespreken.
“Ah, je bent terug! We gaan net de taart aansnijden. Hoe was New York?”
“Boeiend en vermoeiend.”
“Vertel eens.”
“Ik ben Aretha Franklin tegengekomen.”
“Wie?”, vroeg één van de dochters.
Zo oud ben ik dus.
