Ja, deze tekst schiet uit de bocht. Dat zien wij ook. Dat ene zinnetje dat een fantasie inleidt. Wordt het de kern of is het nodig om het schrijven voor de auteur leuk te houden? Werd dat wat aan het zinnetje voorafging als aanleiding van wat zich ontwikkelt geschreven, of zijn het twee, van misschien meer, verhaallijnen die voor ons nog in het duister zijn? Die spanning maakt de tekst voor ons interessant om te publiceren. Er gebeurt vanalles. U zult zich, vermoeden wij, bij het lezen niet vervelen.
Wat u gaat lezen is een fragment van een nog bij Bookscout te verschijnen roman van Niels Landstra (1966). In 2022 verscheen van hem de roman Monddood bij bij uitgeverij U2pi. Daarvoor publiceerde hij zes dichtbundels en de zevende, Ontheemde Gedichten, is in voorbereiding. Wij wensen u veel leesplezier.
Het betoverende licht van Haïti
De telefoon ging. Het schermpje van mijn mobiel flakkerde op: Vader.
“Hé jong,” trilde zijn breekbare stem toen ik opnam. “Het gaat niet zo goed met mij. Wil je een paar boodschappen voor mij doen?”
“Natuurlijk,” zei ik, “ik ben onderweg.”
Ik verliet het hotel waar ik verbleef tot aan mijn vertrek naar Italië en reed naar Rotterdam.
Mijn oude vader die aangeeft zich slecht te voelen. De gevorderde tachtiger die altijd leefde alsof de dood een verzinsel van de verdoemden was. De vrijbuiter, de rokkenjager. Maar het idee dat zijn einde naderde, greep mij meer aan dan ik aanvankelijk had gedacht. Daarbij moest ik overwegen wie te informeren over zijn toestand en of het daarvoor niet te vroeg was. Moeder hoefde ik niks te vertellen, die hanteerde de Hebreeuwse spreuk bederf is de weg van alle vlees, en het nummer van Maarten had ik gewist uit mijn lijst met contacten.
Voor het huis van vader parkeerde ik mijn Fiat, pal voor zijn rode Alfa Romeo, in de zinkkleurige schaduw van een oude plataan, de ramen bedekt door een doffe sluier van bladergruis.
Mijn eigenwijze vader, dacht ik.
De politie belde onlangs en bracht mij ervan op de hoogte dat hij met een verlopen rijbewijs in zijn oude wagen was gaan rijden en schade aan een geparkeerde auto had veroorzaakt. Desondanks had hij de dienders die zich na het voorval meldden voor rotte vis uitgemaakt en uiteindelijk met grote bezwaren een schadeformulier ondertekend.
Nu klopte ik op zijn deur, daarna op zijn raam aan de straatzijde.
“Ik kom zo, ik kom zo,” zei hij. Zijn stemgeluid was dof, leek te komen uit een diepte. Zoals gebruikelijk duurde het enige minuten eer hij opendeed.
“Kom binnen,” zei hij met een witte neptandengrijns.
Hij was alweer op de bank gaan zitten toen ik binnenkwam. In een paar maanden was hij vele kilo’s verloren. Zijn opgerolde lange broek onthulde twee uitgemergelde benen, de huid was bedekt door een wirwar van paarsige aderen, terwijl zijn voeten mij aan een skelettige verzameling botten deden denken, overtrokken door een doorzichtig vlies, witblauw als schimmelkaas.
“Ik kan de straat niet op zo,” legde hij uit. “Maar als jij voor mij haalt wat er op het boodschappenbriefje staat, red ik het de eerste tijd nog tot mijn vriendin langskomt.”
“Welke? Die junkie?” vroeg ik.
“Dat is ze niet, jongen. Dat zeg je steeds.”
“Goed, ze heeft een goede baan en leuke kinderen.”
“Ze heeft geen baan en geen huisvesting en soms logeert ze hier.”
Dus kan het nog weken duren, veronderstelde ik.
“In dat geval regel ik iemand anders.”
“Goed, ik ben zo terug. Laat je de deur aanstaan?”
Bij de Poolse slijter kocht ik voor hem twee flessen limonade en een liter wodka en stevende dan weer op zijn huis aan. Maar zijn voordeur was dicht. Ik klopte op zijn raam en op de deur.
“Pa, doe nou even open!”
“Ik kom zo,” zei hij zacht, maar het kwam van zover dat het leek alsof zijn stem uit een grot kwam. Onmachtig zich op te richten van de bank, bleef het bij: “Ik kom zo, ik kom zo.”
Het duurde tien minuten, een half uur, een uur.
De politie gaf acte de présence met twee wagens. Vier mannen stapten uit in de zonovergoten straat, portieren dichtgeslagen. Het schudde de zomerse rust op, lokte de buren uit hun huizen met een belangstelling die ze in toom hielden.
“Waar is uw vader nu?” vroeg een agent met weelderig getatoeëerde armen en het postuur van een basketballer.
“Hij zit gewoon op de bank,” deelde een collega van hem mee, die door het raam in de huiskamer gluurde.
“Zegt hij nog wat?”
“Ja, hij zegt: ‘Ik kom zo, ik kom zo’.”
“Dan moeten we de deur forceren,” besloot de agent met de versierde armen.
Een andere agent, een roodharige twintiger, verscheen met een koffertje dat hij openklapte. Daarin was allerlei gereedschap overzichtelijk gerangschikt: boortjes, frezers, inbussleutels. Hij koos voor een schroefboor die hij op het slot van de verveloze deur zette. Maar na een aantal pogingen bleek de cilinder niet te forceren; aan de achterkant was een afdekplaatje gemonteerd om inbraak te voorkomen.
“Kees, stormram,” riep de agent met het atletische lichaam.
Deze piepjonge en al kalende diender was de tengerste en de kleinste van het viertal, die tot mijn verbazing met een enorme kracht het apparaat tegen het hout beukte; de deur sprong meteen open.
De agenten gingen naar binnen, ik volgde in hun kielzog. Vader zat er wezenloos bij, op de bank, probeerde vergeefs op te staan.
“Hij is ernstig ondervoed,” stelde Kees vast. “Ambulance maar bellen.”
Na een korte inspectie van de woning, bleek dat het huis nauwelijks werd bijgehouden en aan hygiëne ernstig tekortschoot. De koelkast en voorraadkasten waren leeg.
“U zorgt niet zo goed voor zichzelf, meneer,” vond Kees.
“Ik heb een vriendin die af en toe langskomt.”
“Dat is dan niet al te vaak.”
“Ze zit momenteel in een verslavingskliniek.”
“Dat schiet niet erg op dan,” merkte de agent grijnzend op.
De ambulance arriveerde. Twee broeders meldden zich met medische apparatuur om wat testen bij hem af te nemen. Het werd duidelijk dat hij naar de spoedeisende hulp moest worden gebracht.
Terwijl hij op een brancard werd gelegd, zei vader: “Jongen, doe je die fles wodka in het tasje dat ik mee wil nemen? Ik drink de laatste tijd niet zoveel, maar het zou me maar gebeuren dat ik opeens behoefte krijg.”
“Dat zal ik doen, pa.”
“Dokter,” zei hij tegen de ambulancebroeder die hem daarop meewarig aankeek. “Ik wil in Amsterdam begraven worden.” Een mismoedige zweem trok over zijn gezicht. “We hebben een familiegraf op Zorgvlied. Dan kan ik uitkijken op de Amstel als ik dood ben.”
De ambulance was voor vertrek nog bezig mijn vader aan de apparatuur te leggen. Ondertussen werd ik benaderd door een handvol buurtbewoners. Ze merkten op dat hij zichzelf sterk verwaarloosde en nauwelijks nog mobiel was. Als een reumatische kreeft in vlekkerige lompen schuifelde hij over straat, zijn scheefstaande kalende hoofd leek te zijn versteend in de stramme wervels van zijn nek.
“Maar aardig dat hij altijd was voor iedereen…” gold de algemene opvatting.
“Ik ben Jan,” stelde een jonge veertiger zich aan mij voor. “Heeft jouw vader ooit over mij gesproken?”
“Nee,” antwoordde ik.
“Ik deed af en toe een boodschap voor hem en in de twintig jaar dat ik hier woon, heb ik jou nooit gezien.”
“Misschien was jij op de ogenblikken dat ik er was even weg.”
“Weet je,” zette hij zijn betoog voort, “mijn vader stierf toen ik veertien was. Zou hij nog leven, ik had hem dagelijks bezocht.”
“Het was een bastion waarin hij woonde,” merkte een rijzige kerel van middelbare leeftijd op. “Hij deed zelden open.”
“Ik dacht dat hij een junk was,” merkte de Haïtiaanse buurvrouw op. Ik herkende haar van het pakketje dat ze toen bij mijn vader af kwam geven.
“Een van in de tachtig, Fleur,” spotlachte iemand.
“Maar die ene vrouw die hem bezocht dan,” hield ze vol. “Dat was toch een junk?”
“Dat klopt,” beaamde een rondborstige vrouw van een paar huizen verderop. “Maar hijzelf gebruikte nooit.”
“De dame in kwestie bracht en haalde iets bij hem op,” wist Appie, een magere loodgieter met oorknopjes in en een flinke tatoeage van een roos in zijn nek. “Waarschijnlijk chemicaliën voor het maken van drugs.”
De ambulance vertrok.
“Krijg ik wat vertroosting van jou?” vroeg ik aan de Haïtiaanse.
“Natuurlijk,” zei Fleur met een gloed in haar ogen, die donker was als de avond maar verkwikkend als de ochtendschemer in de lente.
Zalvend sloeg ze haar armen om mij heen, terwijl ik haar lichaamsgeur dankbaar opsnoof; het leek een verfrissend mengsel van een citroenachtige balsem en een kruidig parfum tegelijkertijd. De warmte die van haar afstraalde vond onmiskenbaar zijn oorsprong in het zonnige continent waar ze geboren was. Het riep in mij het verlangen op om daar te zijn, met haar in die idylle van strand en zee. Zij naast mij, een donkere parel in het zand; het vormde de opmaat voor mijn verleidingsdans, waarin haar heupen meewiegden op de balts van de mijne.
“Ik ga zwemmen bij Hoek van Holland,” zei Fleur. “Lekker zonnen.”
Na een aantal uren in het ziekenhuis te hebben doorgebracht, parkeerde ik mijn auto in de Deensestraat voor de woning van Fleur. Hoewel ik niet wist of ze thuis was, belde ik bij haar aan. Het bleef stil boven, ik vermoedde dat ze nog op het strand zou liggen en overwoog naar huis te gaan, maar op dat moment fladderde ze de trap af om open te doen.
“Hi Raoul. Hoe is het met je vader?” vroeg ze.
“Hij is opgenomen op de afdeling geriatrie van het Vlietland Ziekenhuis en ligt aan een monitor.”
Op de een of andere wijze had haar begroeting een andere lading dan eerder op de middag. Ze was blij en verrast en ging mij voor de trap op. Onder een zwarte korte jurk droeg ze een rode zwembroek die in haar bilspleet kroop en de rest van haar lillende donkere naaktheid overliet aan mijn verbeelding.
Plagerig keek ze achterom.
“Je mag niet naar mijn billen kijken,” zei ze gemaakt verlegen, terwijl ze sensueel met het voluptueuze meesterstuk schommelde.
“Heb je deze woning gekocht?” vroeg ik.
“Ja.”
Ze vertelde dat ze een Haïtiaans adoptiekind uit een welgesteld Nederlands gezin was. In Blokker en later in Hoorn groeide ze op. Na haar universitaire studie aan de TU Delft, was ze als zelfstandig ontwikkelaar van medische instrumenten haar loopbaan aan het opbouwen. Toch was ze Nederland beu en keek ze rond naar een huis in Portugal of Spanje. Werken deed ze met name online, het was om het even waar ze woonde.
“Wil je wijn?” vroeg ze.
“Graag,” zei ik.
“Ik woon hier nog niet zo lang,” legde ze uit. “Ik heb eerst de boel laten verbouwen. Zien?”Het was een dubbele etage met spierwit geschilderde muren. Vanaf de huiskamer slingerde een trap naar boven. Daar was de slaapkamer waar alleen een rubberen matje lag. In een andere kamer zwierven stapels kleren rond.
De lichtval vanuit het raam was bijzonder; helderwit en rein.
“Ik neem geen wasmachine,” verklaarde ze, “in Rotterdam is naar een wasserette gaan goedkoper.”
“Heb je wel een auto nodig, voor zo’n hoeveelheid.”
“Ik heb een auto, een Mercedes, maar daar mag ik niet mee rijden, want ik ben mijn rijbewijs kwijt.”
“Borreltje te veel op?”
“Ik zat in mijn auto, midden in de nacht, omdat ik de weg kwijt was.”
“Geen navigatie?”
“Jawel, maar die had een storing, en dat bij een nieuwe auto. Dus ik dacht: ik zet de motor even uit, elektronica kan zomaar herstellen, en drink van de fles rum die ik bij mij heb. Toen werd er op het raam geklopt. Politie. Ik moest blazen en was de pineut.”
“Moet je niet rijdend worden aangehouden?”
“Dat droeg ik ook aan als verweer toen ze mij in een politiecel dumpten. Dus ik heb een advocaat in de arm genomen en die heeft een zaak aangespannen.”
Ze schonk wijn in en ze zette haar playlist met jazzy muziek op. We dronken en we dansten; haar jurk dartelde om het rode zwembroekje. Zij schurkte zich uitdagend tegen mij aan, draaide naar mij toe, wreef met haar als gebeeldhouwde kont tegen mijn kruis. Haar blik was een mix van verleiding en schroom, haar mond met de gewelfde lippen glom als aangestreken door vernis.
Nu smolt bij haar het laatste restje terughoudendheid weg en keek ze mij stout aan. Ik kuste haar, belandde in een warme poel van overgave waarin ik mijzelf wilde verliezen.
Wat ze droeg, de jurk en het rode zwembroekje, trok ik uit en terwijl we neerzegen op haar bank, adoreerde ik haar bronzen naaktheid. Haar huid, met een bladgouden glans van de zon, verkende en liefkoosde ik; wat ik niet eerder had gevonden bij een vrouw was er nu: het betoverende licht van Haïti gevangen in haar. En toen ik mij op dat moment voornam dit beeld in mij te bewaren als een kiekje gemaakt door een vreemdeling in een tropisch land, ging mijn telefoon ergens in een verte af en wist ik dat het licht bij mijn vader was uitgegaan.
