Laten wij haar Pennig noemen. Haar werk laat zich liever niet rubriceren, en daar zijn wij als redactie gek op! Wij weten niet veel over Pennig en wat wij weten zegt, zo ver wij kunnen nagaan, niets over haar schrijverschap. Ze publiceerde in Schrijven Magazine, Het Gezeefde Gedicht en ze zet werk op Azerty Factor. Hooggeëerd publiek, wij presenteren, Pennig!
In het land der wielen is één wiel koning
Er zijn wel wat sporters die ik bewonder.
Ik kan ze niet op één hand tellen,
zelfs niet op twee.
Bewondering vermenigvuldigt sneller
dan onpare sokken.
Zo bewonder ik Eenwielers.
Die doen moeilijk eenvoudig lijken,
zwaartekracht niet hun zaak
nu ze in de ruimte verblijven.
Wie heeft nu twee wielen nodig,
behalve wie graag
met beide voeten op de grond blijft.
Nu, het zijn eigenlijk anderhalvewielers.
Dat ene wiel valt namelijk nogal groot uit,
misschien zelfs groter dan hun ego.
Je zit er hoog en droog,
ambitie krijgt hoogte,
danst met evenwicht,
vecht tegen de grond,
wint met een lach.
Evenwicht lijkt wel een hobby,
vallen een keuze.
Zelfs op een halve fiets
geraken ze dubbel vooruit.
Je zou van minder
koningsallures krijgen.
In het land van wielen
is één wiel koning,
en nar.
Zonder humor
loopt elk wiel vast.
We hebben de Eenwielers nodig.
Met hen loopt het op een wieltje,
het andere regeert.
Als het leven niet meer gebeurt
Zodra je helemaal alleen bent,
gebeurt het leven niet meer,
je wordt acteur in een decor
zonder voorstelling.
Zelfs de coulissen staken,
de souffleur nergens te bekennen.
De eenling gebeurt niet langer,
zegt hij,
alsof stilte alles dooft wat beweegt.
Stilte die te ijverig is
om populair te kunnen zijn.
De eenling is nu een zonderling,
een uit de kudde gevallen,
mank schaap,
niet langer in de pas,
net genoeg uit de maat
om achter te blijven,
nu hij de kudde niet kwijt is,
maar de kudde hem.
Een verdwaalde noot
zonder melodie.
De natuur handhaaft,
met harde hand,
geen uitleg,
geen pardon,
geen ombudsdienst,
geen tweede kansen.
Alsof we dominostenen zijn,
die alleen niet omvallen.
Met één domino gebeurt niks,
hij staat daar maar,
rechtop,
beledigd,
nu niemand hem
dat tikje gunt.
Een domino
die zich een gebeurtenis waant,
maar slechts een voorval is.
Rapunzel met streken
Ik speel Rapunzel in Frankrijk.
Mijn torenkamer is wel niet op slot.
Het kan dus spannender.
Mijn haar is trouwens niet lang genoeg.
Een vlecht is geen haalbare kaart,
tenzij één van bladerdeeg.
In Frankrijk maken ze daar croissants van.
Ik val hier met mijn gat in de boter.
Zwemmen in wijn is zelfs goedkoper dan in water.
Ik gooi de sleutel uit het raam.
Mijn man gaat voor me door het vuur.
Een wenteltrap houdt hem toch niet tegen.
Hij is mijn rots in de branding,
maar een deur inbeuken niet zijn stijl.
Een schietgat gebruikt hij om vogels te spotten.
Je wil die niet doen schrikken.
Zelf schrikt hij van mijn hulpkreet.
Of hij me eindelijk kan bevrijden.
Ik laat hem even zoeken,
hij vindt die sleutel heus.
Ik geef hem wel instructies,
maar enkel op muziek.
En als hij dan eindelijk boven staat,
zing ik hem toe.
Mijn idee van romantiek.
Die deur was niet eens dicht.
Rapunzel zonder streken
Rapunzel is bijna uitgespeeld.
Althans, hier in Frankrijk,
waar torens naar wijn ruiken.
Haar torenkamer was nooit op slot.
We spelen graag, zelfs als we doen alsof
we onze demonen bedwongen hebben
en volledig gewassen zijn.
Spel vraagt spanning.
Zonder spanning geen katapult,
geen bereik,
geen sprong uit een torenkamer.
We tikken onze demonen even aan.
Zo’n halfslachtig duwtje op een deurbel
tijdens belleke trek.
Je hoopt dat niemand het gezien heeft.
Hun staart krult,
wij zijn ribbedebie.
Dan fantaseren we over een witte ridder
die ons komt redden.
Eentje die niet maalt
om slecht gevlochten haren.
Eentje die begrijpt
dat het leven in een toren niet mals is.
Eentje die niet vraagt
hoe het zo ver gekomen is
met dat kapsel.
Omdat we willen geloven
dat we het redden waard zijn.
En omdat een ridder op een paard
nu eenmaal aanlokkelijker is
dan zelf de trap aflopen.
