De verhalenwedstrijd. Twee inzendingen. Twee auteurs die wij al hebben leren kennen. Jacqueline Bos schreef ‘De Tijd’, Pieter Drift ‘Geen snooze’ en De jongen op de wc’. We zijn blij met de inzendingen. Een eerste prijs, tweede prijs en gediskwalificeerde…de derde, zoals aangekondigd, redacteur Marcel; jurylid dus geen meedinger. Niets daarvan, een verhaal dat ontroert en een verhaal dat amuseert. Dat krijgt u van ons. Het pepermuntje voor na de maaltijd bieden wij u toch. Dus, wij presenteren, teksten die gebruik maken van de woorden tafelkleed, naaimachine, draaiorgel, kersenboom en doucheputje.
Ouderlijk huis – Jacqueline Bos
De zoldertrap kraakt als ze het luik openduwt. Gatver! Spinrag kriebelt in haar gezicht en ze voelt iets over haar arm lopen.
Met een sprongetje staat ze op de zoldervloer en veegt haastig haar gezicht en armen schoon.
Dan trekt ze aan het touwtje. Een ouderwets peertje springt aan en zet de kleine zolder in een zacht geelwit licht.
Het schijnsel onthult dozen vol papieren en vergeelde foto’s. Onder een oud tafelkleed ziet ze iets van hout.
Als ze het zware pluchen kleed wegtrekt, dansen stofdeeltjes vrolijk door het licht.
Ze slaat haar hand voor haar mond. Gevonden!
Oma’s naaimachine. Hoe vaak had ze niet aan oma’s voeten gezeten, dommelend op de zachte cadans van de machine? Ze heeft de poppenkleertjes voor Bella nog steeds.
Allemaal door oma gemaakt.
Voorzichtig laat ze haar hand over de zwarte machine glijden. Wanneer ze haar ogen sluit, is ze weer terug in het oude grachtenhuis.
Zittend tegen oma’s knie hoort ze vanaf de straat het draaiorgel spelen. Ze ruikt de groentesoep op het petroleumstelletje en hoort opa’s bulderende lach.
Een traan glijdt over haar wang.
Ze zijn er allebei al jaren niet meer. En nu ook haar ouders… Ze pakt een doos met foto’s op en daalt de trap weer af.
In de ouderlijke slaapkamer gaat ze op het bed zitten.
Eén voor één laat ze de foto’s door haar vingers én haar hart gaan.
Ach, pap op zijn motor, voor het huis.
Haar blik wordt als vanzelf naar de tuin getrokken.
De grote houten garage, waar haar vader zo graag aan zijn oude motor sleutelde.
Vanaf de derde tak van de eeuwenoude kersenboom kon ze precies door het raampje naar binnen kijken.
Ach… dit huis zit vol herinneringen. Vol verhalen. Maar de ziel was eruit. Al sinds die fatale nacht van het ongeluk.
Ze schudt haar hoofd, alsof ze de herinneringen daarmee kan verjagen. Wanneer ze de lege doos van het bed tilt, hoort ze iets rammelen. Onder een kartonnen flap ligt een klein fotolijstje. Haastig pakt ze het op.
Meteen loopt er een dun stroompje bloed over de bodem van de doos. Het glas is gebroken.
Snel loopt ze naar de badkamer, het lijstje nog in haar hand. Met haar goede hand draait ze de douchekraan open en houdt zowel haar hand als het lijstje onder het stromende water.
De snee blijkt gelukkig mee te vallen.
Nadat ze de glasscherven voorzichtig heeft verwijderd, draait ze het lijstje om en maakt de achterkant los. Plotseling glijdt de foto eruit. En nog iets.
Ze bukt zich. Opnieuw slaat ze haar hand voor haar mond.
De foto, vergeeld en oud laat een bruidspaar zien.
En daar, in het doucheputje, glinstert een gouden trouwring.
De trouwring van oma.
Voorzichtig raapt ze hem op, spoelt het bloed ervan af en schuift hem langzaam om haar vinger. Ineens voelt het alsof ze niet langer alleen door het huis loopt. Met de trouwring van haar oma om haar vinger lijkt het leegruimen van haar ouderlijk huis ineens een stuk minder zwaar.
Proef me – Pieter Drift
‘Laatste ronde,’ roept de man achter de bar. Hij klopt met zijn hand op het tafelkleed dat op de rand van de toog ligt. Ik stoot de dame naast me aan. We zitten al een half uur naast elkaar maar hebben nog geen woord met elkaar gewisseld.
‘Wil jij nog iets te drinken?’
Met een kleine glimlach kijkt ze met verbaasd aan. Ze buigt naar me toe en fluistert: ‘Proef me. Ik ben een kers aan de kersenboom.’
Direct draait ze zich weg en loopt naar de bar. Ik volg haar als een slaafse hond.
‘Hoe voelde dat nou?’ vraagt ze als ik naast haar ga zitten.
‘Wat?’
‘Als een vrouw je vraagt haar te proeven.’
Ik pak haar hand, breng hem naar mijn mond.
‘Zout.’
Ze trekt haar hand terug. ‘Ik vroeg niet hoe ik smaakte, maar hoe het voelde.’
‘Opwindend.’
‘Mijn god… naaimachine in de bocht.’
Ze pakt haar jas en verlaat het café. De neiging om haar te volgen, probeer ik te onderdrukken. Ik trek mijn jas aan en loopt achter haar aan. Tegenover de kroeg ligt al twee dagen een draaiorgel, omgegooid door buurtbewoners wegens overlast. Het apparaat ligt te wachten tot iemand er iets aan doet. Niemand voelt zich geroepen. Naast het orgel staat zij.
‘Ga terug,’ zegt ze tegen mij. ‘Vergeet me of verdwijn langzaam in je doucheputje.’
In het café wordt gelachen.
Oma’s verdriet – Marcel Rijken
“Wat ben je mee bezig schat?”
“Er zit hier een gaatje.”
“Het is ook al een oud tafelkleed. We zullen het maar wegdoen.”
“Nee. Nog niet. Het komt van mijn oma. Het is met herinneringen ingekleurd. Het is een kleed van verhalen.”
Daar gaat hij weer, dacht Esther. Het is een lieverd maar toch ook een iets te sentimentele sul, zijn oma. Hoort hij mij ooit over mijn oma’s? Het was een goede tijd met ze maar het is geweest. Nu in het leven staan.
“Zou je oma het kleed ook bewaard hebben als het van haar oma was?”
“Je moest het verleden uit mijn oma trekken. Ze had er totaal geen interesse in. Het draaiorgel bijvoorbeeld, van haar vader. Ze had er als kind zelf vaak met een centenbakje bijgestaan. Dat leverde meer op dan een potige vent met zo’n lullig bakje. Dat orgel, toen haar vader overleed, gewoon naar de stortplaats. Doodzonde. Ze leek daar totaal geen gevoel voor te hebben?”
“Misschien had ze er nare herinneringen aan?”
“Welnee. Ze was gek met haar vader. Als je haar naar die tijd vroeg sprak ze er met plezier over maar zelf over beginnen? Nee. Misschien had ze gewoon niet zo’n sterke belevingswereld. Moest dat echt worden opgeroepen. Ik hoef iets maar te zien en ik droom er in weg. Neem haar naaimachine, die staat nu bij mijn ouders. Mijn moeder naait niet maar ook zij kan hem niet wegdoen. Het was haar schoonmoeder. Wat zij aan kinderkleding voor mijn moeder versteld heeft! Dáár had ze plezier in; nuttig zijn. Ik zou het geen dienstbaarheid noemen. Het was geen dienstbare vrouw. Het was een nuttig mens. Bazig, en lief voor haar kleinkinderen.”
“Een gevoelige vrouw?”
“Daar heb ik haar nooit zo op kunnen betrappen. Emoties spoelden van haar af en verdwenen in het doucheputje. Maar één keer heb ik haar overstuur gezien. De oude kersenboom, die opa nog plantte, in hun achtertuin, was ziek. Mijn vader heeft hem voor haar omgelegd. Toen mijn vader de zaag in de stam zette liepen de tranen over haar wangen. Ze vluchtte naar binnen toen de boom omging. Een laatste hand kersen van de boom lag in een schaaltje op dit kleed. Zie, er zit nog een vlek van een eerdere kers in. Ze heeft die laatste kersen ingemaakt. Ze staan nog steeds in onze gangkast.”
“Ik heb ze al tijden geleden weggegooid lieverd. We zullen het kleed voorlopig nog maar houden.”
