Wij van Literair Tijdschrift Pardon zijn ook niet meer de jongsten en dat beseffen wij wanneer we een dichter treffen die rond de veertig is. Ah, onze generatie (min of meer). Enfin, ons tijdschrift is er voor alle leeftijden. Piepjong? Welkom, je wordt gelezen. (Stok)oud? Prima, misschien loopt u niet al te snel meer, als u tekst loopt dan gaat hij mee (deze zin bewijst dat het verstandig is dat de redacteur niet al te veel teksten van eigen hand plaatst.
Vandaag dus Benoit van der Cruysse (1986). Inmiddels enkele malen op long- en shortlisten voor verhalenwedstrijden, winnaar van de Paul Mercken Aanmoedigingsprijs, publiceerde dit jaar bij De Optimist, Papieren Helden, De Schaal van Digther en Meander. Wij zijn trots dat ook wij hem vandaag mogen presenteren.
Verhuisd
De stad komt op je af in golven—
vossenogen, liftkokers, een wolk
van stof en geroosterde halloumi,
silhouetten rond een saxofoon.
Je leert de namen van de stations
zoals je een taal leert: van buiten,
zonder te begrijpen.
Op een ochtend sta je op het perron
en niemand praat. De trein komt.
Je beweegt mee met de rest.
Daken schuiven voorbij—
een vlag, een fiets, een kind
dat even opkijkt.
Voorspelling
Gerrit Hiemstra droeg een beige colbert. Het was augustus 2016. Hij wees naar een zon boven Noord-Brabant en beloofde een stralende zaterdag. We huurden geen tent. Mijn bruid droeg een witte, zijden jurk. Tijdens de geloften begon het. Geen zomerbui die snel overwaaide, maar aanhoudende stortregen die de jurk aan haar lijf plakte en de canapés ruïneerde. Nu, tien jaar later, is het opnieuw augustus. Volgens de satellietbeelden en weerkaarten van het KNMI in mijn ringmap, lag er die dag een stabiel hogedrukgebied boven de Noordzee. Maar Hiemstra had de hoogtetrog gemist. Als ik mijn vrouw aan de keukentafel bewijs dat dit geen overmacht was, zegt ze niets. Ze kijkt naar buiten, probeert het ook te begrijpen.
ont-spanning
je rent in cirkels om me heen
doet een octopus na
gooit je schoenen in het duingras
en springt over elke peuk
ik blijf staan
duw met mijn teen de scherven weg
die je blote voeten missen
we graven tunnels met onze vingers
tot het zand aan ons vel kleeft
tot je slap in mijn oksel ligt
mijn kin rust op je plakkerige kruin
ik kijk naar de vloedlijn
waar ik vroeger over de ribbels sprong
en zoek de kwallen
