Vandaag de tweede bijdrage van psychiater en schrijfster Yolande de Kok. Ook in dit verhaal speelt het wad de hoofdrol. Een bijdrage met een afbeelding; niet gek! Afbeeldingen moeten aan een paar juridische voorwaarden doen om geplaatst te worden. Ten eerste moet de afbeelding in de openbare ruimte te zien zijn. Ten tweede moet de tekst over de afbeelding gaan en ten derde moet de fotograaf vermeld worden. Het gaat hier om de schrijfster zelf. Waarom wij hier een opmerking over maken? Een illustratie is bijna altijd prettig maar kan ook voor problemen zorgen. Wij zijn hier blij mee en we hebben de bijdrage met genoegen gelezen. Het podium is aan Yolande de Kok.

Deze afbeelding zag ik op een sticker, geplakt op een bord van Natuurmonumenten op Texel. De groep ‘Wij zijn de Wadden’, of ook wel ‘Vrije Vogels gekooide mensen’, of tegenwoordig vaak ‘Vrije Vogels vrije mensen’ heeft niets met Natuurmonumenten te maken. Wie hun ideeën wil leren kennen, kijkt op hun site, Facebookpagina of Instagramaccount.
Ik deel hun ideeën niet, maar het plaatje vond ik wel intrigerend. Ik ging op zoek naar het verhaal bij het plaatje, het verhaal zoals het had kunnen zijn.
Een verhaal bij een plaatje
Ze klemden zich aan de tralies vast alsof ze die door maar hard genoeg te knijpen zouden kunnen breken. De man probeerde zijn hoofd ertussen te steken. Bij zijn slapen bleef hij steken. De jongen die met zijn veel kleinere hoofd verder tussen de tralies had moeten kunnen komen, probeerde het niet. Beiden hadden een doffe blik. De grutto en de lepelaar die foerageerden naast de kooi waarin zij gevangen zaten, zagen zij niet.
Een man en een jongen die op het eiland vakantie kwamen vieren liepen langs. Ze leken een spiegelbeeld van de man en de jongen in de kooi, maar vergeleken met de tralies was de metalen bal die zij om hun enkels droegen en die met een ijzeren ketting verbonden was aan een riem rond hun middel een teken van vrijheid, ook al konden ze maar met kleine passen lopen.
“Zij zitten gevangen omdat ze het wad opvoeren met toeristen, al lang nadat Natuur Nederland dat verboden had,” zei de man tegen zijn zoon. “Ook een metalen bal zoals wij hier moeten dragen, weerhield hen niet. Met hun boot voeren ze dwars door foerageergebieden. Jij hebt op school geleerd hoe belangrijk rust juist daar voor de vogels is.”
Dit triggerde de jongen in de kooi, die voorheen een lethargische indruk had gemaakt.
“Mijn vader zorgde ervoor dat jullie overkanters die vogels konden zien. Zonder ons zouden jullie de grutto en de kanoet en de krombekstrandloper niet eens hebben gekend.”
“Ooit hebben die tochten hun nut gehad,” zei de man van de wal. “Maar jullie hadden moeten stoppen toen duidelijk werd dat het wad overlopen werd en dat de natuur in gevaar kwam. Dat de vrijheid van vogels belangrijker wordt gevonden dan de vrijheid van mensen, zoals jullie zeggen, slaat nergens op. Vogels zijn helemaal niet vrij. Zij zijn gebonden aan vaste tijden van het getij en van het jaar en aan vaste foerageerplekken.”
“Ik wil hier weg,” zei de gekooide man. “Ik wil dit soort argumenten die kant noch wal raken niet meer horen.”
Hij drukte op een rode knop en vrijwel direct verscheen vanuit een boswachterskeet op de dijk een bewaarder in groen uniform.
“Wadsma? U had gebeld?”
“Ik wil hier weg,” herhaalde de man.
“Echt weg, of virtueel weg?”
De man zuchtte. “Met echt weg bedoelen jullie wegslepen naar het haventerrein en daar de kooi in een container plaatsen. Dat weet ik inmiddels wel. Virtueel weg dus. Vijf jaar geleden, 18 september, toen de meeste badgasten vertrokken waren en het eiland weer van ons was. Het was zes uur ’s avonds, de vloed kwam op en we konden de zee opvaren. Tigo was nog klein.”
“Komt in orde, Wadsma,” zei de groene bewaarder. “Hier, drink eerst wat, je mond is droog.”
De groene bewaarder reikte een flesje water aan door de tralies, waaruit eerst de man en daarna de jongen dronk. De bewaarder tikte iets op zijn telefoon, waarna zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant van de tralies bewegende beelden van de Waddenzee verschenen. Duizenden virtuele vogels waren nog aan het foerageren, maar de meeste vlogen de dijk al over vanwege de opkomende vloed. Vlak voor de dijk lag een bootje waar Wadsma heen liep, met een kleine jongen op zijn arm.
“Voor die jongen is het het ergste,” zei de bewaarder tegen de man en de jongen van de overkant, die met zoveel aandacht naar de virtuele beelden stonden te kijken dat ze geen oog meer hadden voor de omgeving.
“Die man gaat terug naar de tijd waarin hij het liefste leefde, maar die jongen krijgt geen kans om op te groeien, die wordt elke keer weer klein.”
“Je kunt hem toch virtueel laten opgroeien. Het hoeven toch niet allemaal herinneringen te zijn die we terugzien? Virtual reality geeft een vrijheid die niemand in het leven heeft.”
“Zwijg meneer,” riep Wadsma die hem ondanks de virtuele en werkelijke vogelgeluiden blijkbaar kon verstaan. “Bewaarder, laat hem zwijgen.”
“U moet nu zwijgen, meneer,” zei de bewaarder. “U komt hier als bezoeker, gun de bewoners hun rust. Anders …”
En hij haalde uit zijn zakken een muilkorf die hij omhooghield.
“Ik begrijp het meneer, we lopen door,” zei de man en hij trok de jongen mee en ze maakten zich uit de voeten, zo snel ze met hun boeien konden lopen.
“Ik begrijp die muilkorf niet,” zei de jongen. “Met een muilkorf kun je niet bijten, maar toch nog wel praten?”
“Er is heel veel wat ik hier niet begrijp,” zei de man. “En nog meer wat ze hier zelf ook niet begrijpen. Kijk goed om je heen, want we komen hier nooit meer terug.”
En terwijl ze over de dijk liepen, waarbij de boeien tegen het asfalt tikten en de riemen in hun enkels sneden en de jongen zeurde dat hij liever dan te lopen in een kooi naar een scherm zou kijken, keek de man over de zee en zag duizenden foeragerende vogels en hij vroeg zich af of de ringen die velen van hen droegen hen ook zo knelden.
