Zes dichtbundels in krap twintig jaar Voor de eerste, Diep in het seizoen won hij in 2008 de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut. Daarna werd zijn werk nog vaak genomineerd en viel verschillende keren in de prijzen. Hij publiceerde in Poëziekrant, Het liegend konijn, Deus Ex Machina, Ballustrada, De Vallei, Meander en Digther. Zijn werk werd in bloemlezingen opgenomen en zijn zevende bundel staat op stapel. Daaruit mogen wij ter voorpublicatie vier gedichten plaatsen. Wij zijn daar even blij mee als u, lezer. Vandaag is het podium aan Geert Jan Beeckman.
BELICHAMEN
Waar moeten wij schuilen
als het liefde wordt mijn lief
als onze lichamen in gesprek raken
en ademen een verder aanraken wordt.
Zeven dagen op zeven schrijven dichters
aan verlangen en begeerte
en stellen zij de vraag.
Want zeker wij zwichten voor alles
dat niet eenzaam mag blijven
omdat wij meer willen zijn dan niet eens.
Liefde leef je tijd denk ik dan
hou plek achter deze woorden
blijf binnen dat lenig begrip
die tastbare vorm
die bij onze mythe past.
Verzamel de lijven
verklaar de handen
schuif de schouders in ons ritme
haal licht wat het liggen op de tong
onderdak biedt.
Want eens binnen wrijft niets ons tegen
groeien wij in de nacht
bloot als een mens
komen wij thuis in onsterfelijke warmte
monden wij uit in sporen
onze geur.
Wat wij vrezen is dat ook dit gedicht
zich sluiten moet mijn lief.
Dat is zoveel als de kamer groeten
en onze eeuwigheid verlaten.
Alles om later weer wat ouder
in de regen te lopen en als herinnering
door de ogen te breken
nadat niets ons nader knelde.
EEN HEEL GELOOF
Jij die niet alleen lichaam bent
maar ook zachte oogsteen
in een witgroot bed.
Ik kan je met kijken beminnen
ik heb jou meer dan naakt aangevat.
Met de hulp van een heel geloof
word je beademd
door een dichtplaats voor zachte taal.
Zo verdien je los van begeerte
de vingertoppen van een traaglied
ook als je ligt zoals
en naar binnen huilt bij wonde en barst.
Tot diep in je aarde voel ik mee.
ik ben een hand een tong en al je meer.
Om je geen pijn te doen
komen engelen naar je kijken.
TIJDENS
En omlig en omhand ons
op de zoom van de nacht
mijn lief voor al het waarom
voor een tactiele poëzie
in dat broeierig bal
dat paart met onze schemer
en ons lijf overvloedig maakt.
Leg ons open redt onze oerknal
en verdriet wij die ons prikten
aan de doorn en een daad jagen
door het jubelschot
van onze barok.
Voor even en voor het leven
mijn lief dat grondig verzet
dat door ons zwijgen breekt
en in de tijd onze wet kent
voor wij in de stomme mond
van het eeuwige verdwijnen
en onze namen zich afzetten
op steen als oude geesten.
VOOR ONS BEIDEN
Mijn hoofd woont in mij
als een leegstaand huis.
Ik heb geen tussenkamers meer.
Wat oud genoeg is leeft een eeuwigheid mee.
Zoals de hectaren van het geheugen.
Zoals de rouw om dromen.
Zoals het bodemstaal van het sterven.
Ik slijt mijn dagen in de uithoeken
van Petrarca.
Zolang ik mag mislukken hoop ik
te kunnen blijven.
Zo vraag ik ook tijd liefste.
Tijd om kunst te blijven maken
van ons hijgen.
Tijd om nog een laatste oogappel
binnen te smokkelen in ons beiden.
