Henri Pols publiceerde eerder in Hollands Maandblad, De Revisor, Neerlandistiek en Liter. Wij zijn blij onderstaande tekst te kunnen plaatsen.
Ik wilde je uitnodiging afslaan, Wera; je schrijven dat ik geen tijd had, dat ik werkte aan een artikel. Vermoedde je dat ik niet meer elke dag aan je dacht; of miste je gezelschap aan de IJssel –
Het interieur ruikt naar kunststof. Je demonstreerde hoe met enkele simpele handelingen het tafelblad een bedbodem wordt. Vind je het fijn dat ik bij je lig? Je Finy, je gekje, je geil en onhandig meisje.
Je gezicht is voller geworden – of is het, doordat je slaapt? Ik kijk weer te lang naar je; het maakt je nerveus. Maar nu zie je het niet. Je bent moe. Je slaapt diep.
De IJssel is nu honderdveertig meter breed. Ik zwom de rivier over; ik wilde dat je mij zou zien. Je verbazen, schrik aanjagen.
Alleen daarom ben ik gekomen, Wera.
De stroming voerde mij mee; driehonderd meter stroomafwaarts kwam ik aan de andere oever. Je wachtte mij op, je had doeken meegenomen en kleding. Je bracht mij terug naar de camper. Mijn huid gloeide en alle verbruikte energie keerde heviger terug in mijn lichaam.
En ik putte je uit. Mijn lichaam rook nog naar de IJssel. Ik spande je op, je spieren als harpsnaren, je borsten vlak, je fijnste details, lijnpenseel, marterhaar.
Het traject is onvoorspelbaar. Halverwege wordt de stroming sterker, er zijn kolken bij kribben, er is golving en zuiging door schepen.
Je volgde mij. Verbeeld je mijn lichaam. Ik vertel je hoe het voelt. Misschien slaap je niet diep; ik fluister het je toe.
Tussen basaltblokken kabbelt water. Ik stap onzeker over donkere, scherpe stenen; mijn vorm, mijn kleur steekt af.
Dan laat ik mij vallen. De overgang naar drijven in water is groot.
Eerst is er de plotselinge kou rond mijn buik, mijn rug, daarna de doffe, gelijkmatige kou. Door het koude water rond mijn borst wordt mijn ademhaling korter; met inspanning voorkom ik dat.
De druk van de stroming tegen mijn heup en schouder is krachtig.
Mijn handen pakken het water; eerst weerstand, dan glijdende voortstuwing. Al snel verzwaren mijn schouders en bovenarmen. Het optillen van mijn arm uit het water wordt zwaar, mijn vingers raken verdoofd. De stroming wordt krachtiger; dwarse golven en kleine kolken brengen mij uit balans.
De rivier smaakt modderig, mineraalachtig. Op het water schitteren verblindende lichtvlekken; schuimlijnen glijden op de stroming voorbij.
Onder het oppervlak kleurt het licht groen, bruin; je hoort het brommen van een scheepsmotor.
Mijn gezicht draait even boven water, de lucht voelt warmer. Mijn ademhaling is kort, luid, ritmisch; doffe slagen van mijn armen op het water.
Aan de andere oever schuiven riet en stenen langzaam voorbij.
Ik sta op in ondiep water en mijn lichaam voelt loodzwaar. De rivier ruikt naar klei, modder, planten, olie. Ik huil, maar je ziet het niet.
Basalt- en breukstenen steken schuin de rivier in, verborgen onder het water, bedekt met gladde alg. Er liggen scherpe schelpen, glas, puin. Je gooit mij de zak met waterschoenen toe.
Een aak vaart voorbij.
Op de oever sta je tegenover mij. Je kijkt naar mij en koude wind blaast op mijn natte huid. Je draagt je lange jas, je sjaaltje. Je kijkt op je horloge.
Je omcirkelt mij met woorden en gebaren. Je ontsmettingsspuitje prikt in een schaafwond op mijn been. Mijn haar, mijn handen en voeten zijn modderig, ik wil je jas niet vies maken.
Ik wil gerust zeggen dat het mijn schuld is, Wera. Ik kies voor het onveilige, ik verstoor je orde. Ik zeg bij een bouwplaats dat de dans van hijskranen meer gratie heeft dan die van ballerina’s en jij denkt dat ik niet goed wijs ben.
Ik wil de dingen aanraken, ze in mijn handen voelen, begerig zijn.
Ik ben niet meer het schoolmeisje, onder de indruk van je kalmte, je geur, je jas, je sleutelbos – hoe je nog in de auto zit, het portier opent en een voet op straat plaatst, je paraplu open zwiept, uitstapt en haastig loopt, rechtop en kurkdroog blijft.
Jij hoeft nooit bang te zijn, te twijfelen.
Je vindt mij misschien ondankbaar. Of dat ik iets beschaam.
Ik ben altijd vroeg wakker, Wera. Misschien door Stanzi. In Oranjewoud, om deze tijd, wil zij naar buiten. Ik tap water uit de regenton en ververs haar bakje.
Buiten, naast het trapje, staan mijn waterschoenen. Het is nog donker. Je Finy, je gekje, loopt door de dunne, koude lucht. Zij hoort de geluiden van de vroege ochtend. De lucht smaakt zoetig; als zij diep inademt, proeft zij natte aarde. De grond is vochtig; het ruikt naar gras, klei, rivierwater, een streepje mest.
Voorbij de wilgen en elzen ligt het open weiland van de uiterwaarde. Dichter bij de rivier groeien rietkragen en biezen. Haar voeten zakken weg in slikkige stukken; een waterschoen zuigt zich vast en kan blijven steken in de modder.
Water klakkert tussen basaltblokken. De rivier ligt er nu zwaarder bij dan overdag.
Je gekje kijkt om en bedenkt dat in de duisternis achter haar, tussen de bomen en struiken, de camper staat waarin haar Wera slaapt. Misschien is zij wakker geworden en ziet zij dat haar gekje niet naast haar ligt en dat de deur niet is afgesloten en dat haar waterschoenen weg zijn. Zij loopt naar buiten, naar de rivier en over de uiterwaarde ziet zij haar langs het water staan.
Wees niet ongerust, Wera. Ik loop terug door de modder. Ik zal thee maken, crackers besmeren met je favoriete myrtillejam en als je wakker wordt van mijn gerommel, zit ik bij je. Je gezichtsuitdrukking is nog vlak, je stem klein en je beveelt mij – je mag wel even water halen. En ik doe het voor je.
Ik zou je vertellen over Rome, over Borghese, Farnesina, de Capitolini, de fresco’s van Livia, over Oranjewoud en Stanzi – maar dat heb ik niet gedaan. Je hebt er ook niet naar gevraagd. Ik heb een dag of tien geleden een presentatie gegeven over de romantische schilderkunst die overigens volkomen in de soep is gelopen en ik werk aan artikelen.
Ik heb mijn plannen, Wera, mijn heftige verlangens.
===
