Gisteren een prozatekst van Steven van der Heyden. Vandaag vijf gedichten. Alle vijf de moeite om waard om bij terug te komen. Wat lezen wij doorgaans snel door! Hup naar het volgende. Sta even stil. Herlees. Niet als uitzondering, maar als regel.
Whale fall
Ik ben niet langer wachter van de zee
maar prooi in het bellennet
verstrikt in een trage verticale dans
een op hol geslagen sonar
in de greep van het duister
Ik hang niet meer vast aan klanken
verlaat de plek die zingt, de bloei van het water
hoe dieper ik duik, hoe meer zwaarte naar binnen lekt
echo’s geven geen klik meer
Op deze diepte draagt enkel mijn huid nog
mijn verhaal, lezen inkervingen als braille
daaronder kraken ribben, krimpen luchtkamers
scheurt een oeroud geheugen uit membranen
Een nieuwe wereld kruipt mijn lichaam in
met het diep geduld van water
geef ik de oceaan haar vorm terug
Winter
Geef me een landschap waarin betekenis
nog geen kleur bekent, alles naamloos
en onaangeraakt is
Waar je voet kan inzetten met de motoriek
van een vogel die de lucht nog niet gevonden heeft
de vlucht nog buiten bereik
Zon op het ijs onthult een zijden sluier
vlokken smelten als engelenveren
een oefening in verdwijnen
In dit prille licht wordt alles buitenkant
schuilt heimwee in de glans van rijpe wensen
tot zwerfakkers opnieuw gonzen van insecten
Wat rest
Je lichaam stapt uit al haar rokken
ze blijven rondslingeren als het prijskaartje
van dromen, hoeveel vrouwen ben je al geweest
waar verdween je tussen de plooien
Je strekt je uit met vrijgevochten blik, proeft resten
van woorden die je haastig toegefluisterd werden
er blijven genoeg verhalen over om in te geloven
Onderhuids wachten oude impulsen
tot slaap je binnenhaalt, een boek beeldt
de voorgrond uit alsof taal je kan temmen
deze nacht zich laat lezen als voorspelbaar einde
Moeders in Gaza
Ze kijken het stof diep in de ogen, zeggen geen woord
tijd tikt als een bom, belaagt elk uur, ontneemt hen de dagen
wij horen een journaal dat begint met “vannacht”
Wat rest: woestenij, een wildgroei aan barsten in muren
harde lucht schuurt hun wangen, rimpelt gelooide huid
wij scrollen verder, vegen het puin van ons scherm
Waterputten staan droog achter kromme hekken
Grafheuvels, opgetrokken uit puin, dragen
geen namen die wij onthouden willen
Instincten vullen de gaten, voorvoelen een val
zonder einde terwijl wij spreken over grenzen
alsof het lijnen zijn in zand en geen lichamen
Ze zwerven over platgetreden paden, verstikken
in de hitte die opwelt uit een wereld van gemis
wij ademen door, het stof zal ons niet bereiken
Schaakmat
We schrobden het vuil uit onze plooien
verloren onze vacht en leerden behoedzaam lezen
eeuwen later keken we de hemel voorbij
Wetenschap bedreigde het toeval, holde
de vertrouwde weg uit met zwart-wit resultaten
ruilde vergezichten voor tunnelvisie
De zee werd in het openbaar geveild
onder het gewicht van omgewoeld zand
brak elke golf in haar keel
Nu klinken mensen als dieren in nood
in dit wrak van een wereld wacht ons
een stoffig einde onder een lek geprikte zon
