Vandaag een kort verhaal van gitaarbouwer, liedjesschrijver, gelauwerd dichter en auteur van verhalen. Zowel voor kinderen als volwassenen. Bezoekt u na het lezen van zijn verhaal ook zeker zijn website. Wij presenteren: Marc Terreur.
Onlangs vingen we tijdelijk dakloze jonge ouders op, en waren bevoorrechte getuigen bij het behandelen van borstabcessen en bloedende tepelkloven. We steriliseerden de klok rond spenen, melkflesjes en borstpompen, en spurtten bij dag of bij nacht mee naar spoedeisende hulp.
Tegelijk zitten we ook aan de andere kant van de leeftijdspiramide met een pittige zorgvraag. Kortom, ongemerkt zijn we sandwichspread geworden. Een scharnierduo.
Vandaag komt het probleem toch wat ongelegen: nog geen uur voor een lichamelijke intrusie, ongewild zonder verdoving. Geen details.
Vertrekkensklaar, autoportieren in de hand, schrikken we van een urgent klinkend gerinkel: “Mama! Ik heb een verkeerde sleutelbos bij! We staan hier aan de voordeur en Baby schreit het plein bij elkaar van de hitte en de honger!”
Dat konden we horen ja, twintig kilometer verderop. Redster-met-reservesleutel stuift in een stofwolk de straat uit —aan de maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, dat spreekt vanzelf. En ik, ik ren naar mijn fiets, flexibel als een endoscopische slang.
Flashforward. Drukknoopjesschort, wachten op wat komen gaat. Beroofd van mijn telefoon kan ik enkel scrollen in mijn hoofd. Ik dwaal naar die intens gedeelde weken, vóór en vooral na de geboorte. Baby huilde veel en ja, dat gaat door merg en been zeggen ze dan, en ze zijn zo hulpeloos en ze kunnen het niet uitleggen zeggen ze ook, al voelde ikzelf het geschrei niet zozeer in merg of been maar eerder ergens in mijn maagstreek, waar volgens mij ook nog altijd een hulpeloos kindje huist, dat voelde ik in dit killige bed heel goed, en ik moest denken aan toen ik half zo oud was als nu en niet eens voor de helft met mezelf in het reine, hoe ik probeerde uit te leggen wat er aan de hand was en dat ik het zelf niet eens wist, en dat het me zelfs toen maar zelden lukte om te huilen en dat ik dat voelde in mijn maag en ook wel in mijn darmen, en toen kwamen ze me halen en het denken ging gewoon voort. Aan hoe ik kan wenen bij een film, maar geen traan laat als een echte persoon in de shit zit, en dat ik dan wel luister en troost en het zal voelen in mijn maag, alweer dáár, maar dat ik dus niet meehuil en dat dat misschien ook maar goed is want het draait tenslotte niet om mij, en toen ging ineens die slang naar binnen en het onderzoek was hinderlijk en pijnlijk en even leken er in mijn ogen tranen te willen opwippen maar ze kwamen niet, en ik keek mee naar mijn eigen binnenkant en dat was fascinerend al moest ik ook naar adem happen soms en het duurde zo verrekte lang, maar de camera vond niets, gelukkig, zelfs de huilende baby niet waarvan ik wist dat die daar ergens moest zitten.
En toen zat ik terug op de fiets, met een telefoon vol berichten van eind goed al goed, iedereen was op zijn plek en toen ik thuiskwam vlogen we elkaar in de armen, als twee helften van een geoliede scharnier, en ik dacht aan wat we nog allemaal zouden meemaken, en ik stelde vast dat rond mijn maag langzaam de spanning wegtrok en als laatste bedacht ik nog één ding: ik heb niet gehuild.
