Vier gedichten die ons, redactieleden doen mijmeren. Vier gedichten om op deze maandag waarin de drukte van de (werk)week ons kan overvallen , de lichte melancholie…weer een weekend voorbij…realiteit is, toch de rust geeft dat we vrij zijn in onze binnenwereld. Even stilstaan bij een gedacht. Vandaag van Limburgse Rotterdammer Marco Starmans. Ons redactielid met Limburgs, Rotterdamse achtergrond veert enthousiast op. Marco, docent wis- en natuurkunde aan de Hogeschool, is dichter en schrijver. Daarnaast fotografeert hij graag. Hij plaatst zelf werk online en publiceerde in Meander. Wij presenteren; Marco Starmans.
Bevinding
Hier ben ik weer. Niet bijzonder moe vandaag. Alleen vol
van de werkelijkheid. Ik werk erin, elke dag. Alles heeft gewicht.
Toch ben ik volkomen vrij. Niemand gelooft dat.
Dat hoeft ook niet. Ze zit in de manier waarop ik naar een raam kijk
en besluit dat het een rivier is. Ik zal altijd gedichten schrijven.
Altijd in de kleuren die ik zelf koos. Mijn gedichten zijn geel
en blauw en rood. Net als mijn wolken. Mijn meren.
Mijn paarden. Mijn bomen. Mijn vrouwen.
Ik verschijn op tijd. Ik doe wat gedaan moet worden.
Ik knik. Ik reken af. Ik vul de stilte met beleefde woorden.
Achter mijn ogen ondertussen draagt een vrouw een wolk
als kussen in een blauw bos. Ik heb nooit verlangd
naar een ander leven. Alleen naar meer
dagen waarop een zee zich gedraagt als een gedachte
en een gedachte als een vogel. Morgen zal ik weer werken.
De werkelijkheid zal mij bemerken.
Zal mij vriendelijk binnenlaten. En ik zal haar bedanken.
Daarna zal ik ongemerkt de lucht rood maken. De bomen blauw.
De vrouwen geel. En niemand zal kunnen bewijzen
dat het ooit anders is geweest.
Boekenkast
Omdat je zegt dat niemand een tafel koopt zonder eerst aan iemand anders te denken, gaan we vanmiddag naar de boulevard, en we lopen door drie verschillende winkels zonder een beslissing te nemen. Onderweg hebben we het erover
hoe je vroeger altijd een sleutel legde onder de terracotta bloempot. Grond is het laatste slot.
Ik leg mijn hand op een eiken tafel waar iemand met zijn nagel een kras in heeft gemaakt en ineens wil ik weten hoeveel gezinnen hier al omheen hebben gezeten, maar tegenover mij zit mijn grootmoeder. Ze leest de catalogus van een boekenkast.
De nacht daarna slaap ik nauwelijks. Je slaapt niet goed nadat je iemand hebt gezien die geen moeite doet om dood te zijn. Een slaapkamer blijft gewoon een kamer.
Toen ik op de basisschool zat moesten we ezelsoren vouwen in boeken. Ik streek ze glad met mijn nagel. Ik dacht dat verhalen daar pijn van hadden.
Volgende week gaan we terug. Grootmoeder zal er weer zijn. Een ezelsoor in de catalogus. Ze zal vragen of de stoel bezet is.
Ik zal zeggen dat ik wacht. Laten we daarna naar huis gaan.
Ik ken een portiek waar alle brievenbussen nog namen dragen van mensen die verhuisd zijn.
De hemel maakt misbaar op een snikhete dag
precies op het moment dat ik klaar ben
met boodschappen doen
In de stoffige oksel van deze slapeloze parkeerplaats
duwt de schorre hitte tegen lege winkelwagens.
Geruisloos lopen ze weg op ranke zilveren poten.
Een vergeten kassabon plakt met kleverige koppigheid
aan de zool van mijn schoen.
Ik blijf staan waar het asfalt zacht begint te golven
en mijn schaduw zich uitrekt als een uitgebluste kat.
Op deze teerzwarte vlakte opent zich een koele boomgaard —
de lantaarnpalen dragen donzige druiven.
Ik buk me om een vrucht te plukken.
Als mijn vingers haar raken, verandert het vlees in regen
en ik kijk met natte handen
hoe de parkeerplaats langzaam kopje onder gaat.
Zonder werkelijk voorbij te gaan alles voorbij
Sloten water bossen masten rijen huizen
door het raam een onverstoorbare richting
ons gezicht wisselend landschap en spiegel
van glas de vreemde gewoonte
om twee werelden tegelijk te bewaren
en het plotselinge besef dat niemand wist
waar we waren behalve wij
en zelfs wij bij benadering
de weilanden in hun elektrische kalmte
dat woord dat nergens lijkt te passen
tot je ziet hoe hoogspanningslijnen
de horizon bijeen houden
